De olympische schaatsploeg als aandelenportefeuille

Ab Krook (65) zag het schaatsen veranderen van een winterhobby naar een bedrijfstak waarin miljoenen euro’s omgaan. „Durf geld te stoppen in de gewesten.”

Afgelopen zomer is hij alvast vooruitgegaan, samen met zijn vrouw Ineke. Twee weken naar Vancouver, over vier maanden gastheer van de 21ste Olympische Winterspelen. Even kijken waar het straks allemaal gaat gebeuren. Even aanwippen bij een paar trainingen van de Canadese ploeg – gewoon uit nieuwsgierigheid. Wat doen ze? Hoe staan ze ervoor?

Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Oud-schaatscoach Ab Krook, 65 jaar oud inmiddels, was sinds 1980 (Lake Placid) betrokken bij alle winterse Spelen die volgden, van Annie Borckink tot en met Ireen Wüst.

Wonderlijk, dacht Krook bij zichzelf, daar langs de rand van het ijs in Richmond, even ten zuiden van Vancouver, vlak bij de internationale luchthaven. Hij kon zich eigenlijk niet voorstellen dat Cindy Klassen, Christine Nesbitt of een van de Canadese mannen in februari 2010 olympisch goud krijgt omgehangen. „Als dat straks gebeurt moeten wij ons in Nederland eens heel goed bedenken wat wij fout doen. Het verschil tussen Nederland en de rest is zó groot, als het gaat om faciliteiten, geld en aantallen schaatsers. Daar denk ik vaak aan. Als je het puur theoretisch bekijkt, zou schaatsland Nederland tachtig procent van de medailles moeten winnen. Maar dat gebeurt niet.”

Aan het begin van het olympische seizoen 2009-2010 staat Nederland er volgens Krook misschien wel beter voor dan ooit tevoren, al is het optimisme voor het grootste deel terug te voeren op één rijder, Sven Kramer, onbetwist de kopman van de Nederlandse ploeg.

„Ik heb acht Winterspelen meegemaakt”, zegt Krook in zijn woning in Loosdrecht. „Dat zeg ik niet om stoer te doen, maar ik mag er wel wat over zeggen. Ik heb nog nooit een schaatser gezien die voor het begin van de Spelen zoveel zekerheden heeft als Kramer. Johan Olav Koss niet, en ook Eric Heiden niet, in 1980. Maar als Sven morgen zijn been breekt – laten we alsjeblieft hopen van niet – dan hebben we toch een probleem. Dan zijn wij weer een land dat een aantal medailles kan winnen, zoals de Verenigde Staten.”

Krook zag de schaatswereld de afgelopen jaren in rap tempo evolueren van een tamelijk amateuristische winterhobby tot een bedrijfstak waarin Nederlandse sponsors jaarlijks miljoenen euro’s pompen. Steeds groter werd het contrast met de concurrentie; landen als Canada, Noorwegen, Italië, de Verenigde Staten of Duitsland moeten het doen met een handvol schaatsers of iets meer, vaak tegen de stroom van de sportcultuur in hun eigen land in. En toch bieden de Italiaan Enrico Fabris, de Noor Håvard Bøkko, de Amerikaan Shani Davis of de Tsjechische Martina Sablikova meer dan fatsoenlijke tegenstand aan de geoliede Nederlandse schaatsmachine. Krook heeft er wel een verklaring voor. „Dat heeft er mee te maken dat die toppers in het buitenland jaren tegen de stroom hebben moeten zwemmen. Als ze dat lukt, zijn ze hele groten. Bij ons zwemmen de meesten met de stroom mee.”

De overvloed aan kapitaal en grondstoffen leert volgens Krook dat Nederland zich in de aanloop naar de grote toernooien zelfs fouten kan permitteren, zonder dat de kans op succes al te veel schade oploopt. „De Nederlandse topschaatsers zijn verspreid over de verschillende merkenploegen. Als één ploeg een foutje maakt in de voorbereiding, verkeerd piekt, vangt een andere ploeg dat op. De olympische ploeg die in Vancouver schaatst is opgebouwd uit drie of vier werkmodellen. Risicospreiding, net als met aandelen. En als alle aandelen het goed doen, halen ze gigantisch veel medailles.”

De ‘aandelen’ van de DSB-ploeg zijn volgens Krook na de ondergang van de hoofdsponsor behoorlijk gezakt. „Het grootste probleem is dat Dirk Scheringa niets meer te vertellen heeft. Hij heeft een gigantisch hart voor de sport en zou desnoods zijn laatste centen in de ploeg stoppen. Maar nu maakt de curator uit wat daar gebeurt. Een heel andere situatie dan in 2003 bij Spaar Select, waar de ploeg in goed overleg een doorstart kon maken bij Sponsorbingoloterij. Het beste zou zijn als de ploeg bij elkaar blijft en samen blijft investeren in kwaliteit. Dan doen de mysterieuze krachten in de sport wellicht de rest.”

Krook ziet ook een structureel gevaar van de overvloed in het Nederlandse schaatsen. Omdat er altijd nieuwe talenten op lijken te staan, wordt de bron onvoldoende gekoesterd, vindt hij. „De gewesten zijn de kurk waarop ons schaatsen drijft. Die talenten komen van Wim den Elsen, in Zuid-Holland, van een trainer uit Drenthe of een ander gewest.”

Juist in die opleidingsinstituten, de gewesten rommelt het. Geld hebben ze nauwelijks. De beste schaatsers vertrekken op steeds jongere leeftijd naar Jong Oranje of de commerciële teams. Krook: „De wedstrijdrijders in de gewesten komen steeds meer in het verdomhoekje. De tijd is voorbij dat een trainer voor een kop koffie en een gevulde koek zes dagen per week langs de baan staat. Het zal veel professioneler moeten. Anders neem je de motivatie bij het gewest weg. Je wilt als coach ook een beetje meegenieten van het succes. Dan heb je weer een talent gebracht en floep! Weg is ie.”

Krook pleit voor een upgrade van een aantal gewesten, met geld voor een eigen programma. „Iemand als Den Elsen kun je die verantwoordelijkheid geven. Ik zou tegen hem zeggen: hier heb je vier goede rijders, breng ze zelf even naar de top. Maar dat kan niet in alle gewesten. Je moet daar wel de goede trainers en begeleiders voor hebben. En de KNSB kan niet het ene gewest opwaarderen en het andere niet. Misschien moet de bond eens beginnen met een pilotproject voor vier jaar. Durf er geld in te stoppen, durf mensen aan te stellen. Het is de toekomst van ons schaatsen.”

Een andere mogelijkheid is dat de merkenteams een eigen gewest adopteren. Zoals VPZ, waar Krook tegenwoordig adviseur is, dat doet in Groningen en Drenthe. „Het wordt wel vaker geroepen, maar het gebeurt niet.”

De afgelopen jaren verzandde de aanpak van concrete problemen wel vaker in oeverloze discussie over de structuur van schaatsbond KNSB. „Er worden onderzoeken gedaan, iedereen pakt er de krenten uit, en we gaan weer verder.” Nee, dan de tijd dat Krook zelf topsportcoördinator was, van 1998 tot 2006. „Niemand wist in het begin precies wat dat was, of wat mijn verantwoordelijkheden waren. Je had de merkenteams, wij hadden het op het bondsbureau goed voor elkaar. Iedereen wilde daar wel wat wegschrappen, maar de mensen waren bang voor me. Wegwezen. Het was een beetje autoritaire business. Natuurlijk werd ik daar op aangekeken, maar ik deed in mijn uppie wat nu drie, vier man doen. Maar het voordeel was wel: ik wist alles.”

Na zijn afscheid is het bij de KNSB nooit rustig geweest. Voorzitters en directeuren volgden elkaar snel op. Vorig jaar kwam een commissie onder leiding van schaatslegende Ard Schenk met een voorstel voor een aparte sectie topsport binnen de bond. De nieuwe voorzitter Doekle Terpstra, oud-voorzitter van het CNV, nam slechts een deel van het plan over. „We hadden ooit de commissie-Hannessen [oud-KNSB-bestuurslid Henk Hannessen]. Zijn model kwam al voor 80 procent overeen met het model van de commissie-Schenk. De topsport moet een bepaalde mate van zelfstandigheid krijgen. Bij Hannessen was iedereen eerst enthousiast, vervolgens gingen ze kijken wat het voor henzelf betekende. En dan gebeurt er uiteindelijk dus heel weinig. Het is elke keer hetzelfde.”

Is de schaatsbond – met naast langebaanschaatsen ook kunstrijden, shorttrack, marathon en sinds kort skeeleren – te groot geworden? „Je kunt jezelf als skeeleraar niet vergelijken met Kramer, die drie miljoen mensen aan de buis gekluisterd houdt. Als bond zul je onderscheid moeten durven maken. Of mensen het leuk vinden of niet, je corebusiness is langebaanschaatsen.”

Krook geeft de nieuwe voorzitter Terpstra voorlopig het voordeel van de twijfel. „Ik denk dat we een stapje in de goede richting hebben gedaan, maar je kunt het pas goed beoordelen als het helemaal klaar is. Alles valt of staat bij de poppetjes die je er neerzet. Dat is ons grote probleem. Het zal heel belangrijk zijn welke technisch directeur er gehaald wordt. Als dat de juiste man is ga je het redden. Zet een nobody neer in een prachtig model en er komt niks van terecht. Er zal echt een zwaargewicht moeten komen.”