Britse privatiseringen een druppel op een gloeiende plaat

Een noodlijdende regering moet niet midden in een recessie bezittingen gaan verkopen. Maar een goede timing is niet het enige probleem met het voornemen van de Britse regering om 16 miljard pond (17 miljard euro) binnen te halen via de verkoop van niet-financiële staatsbedrijven en vastgoed.

Er zitten heel veel goede kanten aan het plan. Het is verstandig om staatsondernemingen te verkopen die niet thuishoren in de publieke sector – hoewel niet iedere bezitting die door de Britse regering is geoormerkt om te worden afgestoten aan deze voorwaarde voldoet. De overheid is niet de juiste eigenaar van een bedrijf als Tote bookmakers, de brug over de Theems bij Dartford of de spoorverbinding door de Kanaaltunnel.

Bovendien heeft de Britse regering alle inkomsten nodig die ze kan krijgen om een tekort aan te pakken dat dit jaar in de buurt komt van 175 miljard pond. De aankondiging van het privatiseringsplan stelt Gordon Brown in staat om te zeggen dat zijn kwakkelende regering toch wel een paar ideeën heeft om het begrotingsevenwicht te herstellen, ook al is het totale bedrag waarop wordt gemikt niet meer dan het tekort van slechts één maand.

Tenslotte kunnen veel bezittingen veel efficiënter worden beheerd als ze in particuliere handen zijn. De bedrijven in portefeuille leden vorig jaar een gezamenlijk operationeel verlies van 1,7 miljard pond, op een omzet van 20,8 miljard pond, hetgeen neerkomt op een rendement van minus 2,7 procent. Een goed gemotiveerd managementteam van een private-equityfirma zou waarschijnlijk de kasstromen bij een aantal van deze bedrijven aanzienlijk kunnen verhogen door ze met straffere hand te leiden. Dat is ook de reden dat veel van deze bezittingen al jarenlang op de nominatie staan om te worden verkocht.

Maar hoewel de waarde van een deel van de portefeuille duidelijk is, kunnen de twee grootste bezittingen niet echt worden geprivatiseerd. De vakbonden staan in de weg bij het verlieslijdende Royal Mail, terwijl de internationale politiek een stokje zou steken voor de verkoop van het Britse belang van 33 procent in het zeer winstgevende Urenco, dat uranium verrijkt voor kerncentrales.

De regering moet ook zien te voorkomen dat zij de bezittingen voor te weinig geld van de hand doet. Dat betekent dat nog vóór de verkoop zoveel mogelijk saneringen moeten worden doorgevoerd – iets dat al op de agenda staat.

Eén manier om dat te doen is het creëren van een structuur die enige bescherming biedt tegen al te grote meevallers voor de nieuwe eigenaren. De regering liep behoorlijk wat imagoschade op toen de opkopers van defensielab Qinetiq dankzij de privatisering een mooie winst boekten. Een gedeeltelijke verkoop via een beursgang vermindert dat risico, maar brengt niet al te veel geld in het laatje. Het is hoog tijd dat de regering gaat nadenken over minder kostbare verzekeringsvormen tegen dit soort scenario’s.