Atypische Nobelprijswinnaars

Zij is de eerste vrouw die de Nobelprijs krijgt voor economie en ook nog politicoloog. En hij is geen klassiek econoom, maar die wetenschap heeft met de crisis dan ook gefaald.

Het is geen toeval dat het Nobelcomité dit jaar de laureaten buiten de paden van de klassieke economie heeft gezocht. De internationale bankencrisis en de mondiale recessie zijn ook een gevolg van het falen van de economische wetenschap.

Vooral Elinor Ostrom (1933) is een atypische winnaar van de Nobelprijs voor economie. Zij is de eerste vrouw die de prijs krijgt sinds de instelling van de prijs in 1969. De toekenning lijkt een trend, dit jaar ontvangen vijf vrouwen de Nobelprijs, een record. Zij is ook een atypische winnaar omdat Ostrom een politicoloog is. Zelf omschrijft ze haar specialisatie als ‘de studie van sociale dillema’s’. Ostrom kwam niet voor op de lijstjes van potentiële kandidaten, veel economen hebben gisteren even Wikipedia moeten raadplegen.

Ostroms lijst van wetenschappelijke publicaties is indrukwekkend. Haar onderzoek richt zich vooral op milieuproblemen. Klassieke economen voorspellen dat natuurlijke hulpbronnen, zoals de visstand, op termijn uitgeput raken. De homo economicus houdt geen rekening met de generaties na hem. Ostrom bewees dat mensen willen samenwerken wanneer ze overtuigd zijn van de schadelijke gevolgen van hun handelen. Argumenten, en niet alleen prijzen, beïnvloeden hun gedrag.

Ze toont aan hoe gemeenschappelijk bezit als visgronden, weidegronden, bossen, meren en grondwatervoorraden met succes kunnen worden beheerd door verschillende gebruikers. Vaak wordt gedacht dat gemeenschappelijk bezit leidt tot excessief gebruik, en dat dit alleen kan worden teruggedrongen door overheidsregulering of privatisering. De gedachte is dat gebruikers hun eigen baten tegen eigen kosten afwegen en daarbij nadelen voor anderen negeren. Ostrom heeft, volgens de Zweedse academie, vastgesteld dat gemeenschappelijk bezit vaak heel goed wordt beheerd zonder inmenging van de overheid. Groepen gebruikers blijken juist vaak zelf regels tegen overmatige exploitatie op te stellen.

Een voorbeeld dat Ostrom vaak gebruikt is de kreeftvisserij in Maine. In de jaren twintig dreigde deze bedrijfstak failliet te gaan door overbevissing. Om deze catastrofe af te wenden maakten de vissers afspraken over het maximaal aantal te vangen kreeften. In combinatie met milieubeschermende maatregelen groeide de sector uit tot de meest succesvolle in de wereld.

Ostrom krijgt de Nobelprijs voor haar analyse van economisch bestuur en vooral het publieke domein. Nederland geldt voor haar als lichtend voorbeeld. „Niet de Staat, maar het zelf organiserend vermogen van de Nederlanders vormen de rijkdom van dit land”, zei ze in 2002 in een vraaggesprek met Het Financieele Dagblad. „Ondernemende boeren hebben coöperaties opgericht en zelfs banken. Waterschappen zijn in Nederland als jaren vanzelfsprekend, in Californië, waar water schaars is, zijn speciale waterdistricten van veel latere datum.”

In tegenstelling tot Elinor Ostrom stond Oliver Williamson (1932) al vele jaren op de kandidatenlijstjes. Hij deed onderzoek naar het functioneren van grote ondernemingen. Williamson maakte naam met zijn analyse van het gedrag van managers en ondernemers. „Zij streven doorgaans niet naar de beste oplossing, maar naar de best mogelijke oplossing.” Ondernemers zijn, volgens Williamson, vaak opportunistisch. „Hun handelen wordt niet zelden beïnvloed door welbegrepen eigenbelang.”

In de jaren zeventig onderzocht hij de institutionele factoren die een verklaring gaven voor de verschillen in productiviteit tussen Europese, Japanse en Amerikaanse ondernemingen. De zogenoemde transactiekostenbenadering werd een belangrijk onderdeel van zijn ‘nieuwe institutionele economie’. Elke dag vinden er miljarden transacties plaats. Voor een goed begrip van de werking van economische organisaties moeten, volgens Williamson, de kosten worden geanalyseerd die aan transacties verbonden zijn.

Volgens de Zweedse Academie van Wetenschappen is het werk van Williamson relevant voor het begrijpen van de huidige crisis, en de rol die regels en instituties daarbij spelen. „Er is enorm veel discussie geweest over het wangedrag van de grote banken en investeringsmaatschappijen, met topmannen die hun macht hebben misbruikt en het vertrouwen van aandeelhouders hebben beschaamd”, zei Per Krusell van het Nobelprijscomité. „Dit gedrag kan met behulp van de theorieën van Williamson worden verklaard.”