Wie dweilde is ook een oorlogsheld

Na de oorlog in Kroatië is nog een oorlog uitgevochten: om de veteranenverklaringen.

Die leiden tot politiek conflict en een generatiekloof.

Dejan Marijic kent de juiste mensen. In de jaren na de oorlog konden die hem aan een papiertje helpen om te ‘bewijzen’ dat hij had gevochten, vertelt hij ’s avonds na zijn werk op een terras in de Kroatische hoofdstad Zagreb. Handige contacten, waardoor hij nu als 32-jarige al hogere pensioenrechten had kunnen hebben dan menig landgenoot zonder status als veteraan. „Maar zo ben ik niet opgevoed.” Marijic was nog een tiener toen Kroatië werd losgevochten uit de federatie Joegoslavië (1991-1995). Hij vocht niet mee.

Barstend van vaderlandsliefde twijfelde hij als 17-jarige wel even over een carrière bij de politie, maar ging uiteindelijk studeren en werkt nu als ingenieur in de telecommunicatie. Een succesvolle jonge Kroaat die motor rijdt, vrouw en kind heeft. En die ervan baalt dat hij 60 procent belasting moet betalen, zonder dat hij daar wat voor terug ziet, zegt hij.

Dat komt deels doordat anderen minder fatsoenlijk waren. Op papier heeft Kroatië veel meer veteranen dan ooit in de oorlog meegedaan kunnen hebben. Het bestand is vervuild met namen van profiteurs. Nu de herinneringen aan de oorlog langzaam worden verdrongen door discussies over EU-toetreding en de noodzaak om te bezuinigen op ambtenarensalarissen, pensioenen en uitkeringen, leidt dit tot steeds meer debat.

Veteraan zijn in Kroatië heeft veel voordelen. Gepensioneerde veteranen krijgen een hoger pensioen. Veteranen mogen eenmalig belastingvrij een auto kopen, kunnen gemakkelijker een eigen zaak beginnen en kinderen van veteranen kunnen met voorrang naar de universiteit. Dat gunnen veel Kroaten de echte strijders uit de onafhankelijkheidsoorlog van harte. „Zonder hen was ons land nu een soort EU-protectoraat geweest”, denkt Marijic. Maar met hoeveel zijn ze nu werkelijk?

Officieel heeft Kroatië inmiddels bijna een half miljoen veteranen, een aantal dat veertien jaar na het einde van de oorlog nog altijd toeneemt. Daarmee is een op de negen van de 4,5 miljoen Kroaten veteraan. Marijic: „Zelfs wie op het ministerie van Defensie alleen de gang dweilde, staat als veteraan genoteerd.”

„Het gegoochel met de cijfers begon al tijdens de oorlog”, zegt Pavle Kalinic, die tijdens de oorlog gewond raakte. Hij vertelt, gebarend met een hand waaraan twee vingers ontbreken, over een vriend die zes brigades onder zich zou krijgen. „In plaats daarvan had hij 25 man. De rest bestond niet.” Het absolute maximum ‘echte veteranen’ schat Kalinic op 350.000. De overige 150.000 zijn ‘trouwe leden van de juiste politieke partij’. „Ik geef jou een pensioen, jij stemt op mij.”

Zelf is hij lid van de sociaal-democraten, op het moment oppositiepartij. In 2002 nam hij als parlementslid het initiatief tot een fonds voor veteranen, dat gevuld wordt met een deel van de opbrengst van de privatisering van staatsbedrijven. Veteranen hebben aandelen in dat fonds, wie heeft gevochten krijgt meer dan wie een bureaubaan had. Tot nu toe is het fonds echter vooral onderwerp van politieke ruzies.

Na de volgende verkiezingen in 2010 wordt de lijst namen van veteranen openbaar gemaakt en kan een aantal smerige maar noodzakelijke discussies worden gevoerd, denkt Kalinic, inmiddels directeur van de rampenbestrijding in Zagreb. De ‘duizenden’ lokale veteranenclubs hebben nu volgens hem toch weinig anders te doen dan drinken en praten. Hij doet een gesprek na: ‘ik was twee minuten eerder aan het front dan jij’.

„Na de oorlog is er nog een oorlog uitgevochten”, zegt parlementariër Damir Kajin cynisch, „de strijd om militaire privileges.” Kajin zit in het parlement voor de liberale oppositiepartij IDS, is kandidaat voor de presidentsverkiezingen volgend jaar en populair onder jongeren. Hij wil dat de lijsten met veteranennamen openbaar worden. Zoals de meeste Kroaten is hij ervan overtuigd dat iedereen precies van zijn buurman weet of die gevochten heeft.

Met openbare lijsten zal daardoor snel genoeg duidelijk zijn wie fraudeert. „Als we echt zo’n groot leger hadden gehad, was hier een tweede slag om Stalingrad geweest.” Opschoning is volgens hem broodnodig, want „het systeem wordt als een zelfbedieningswinkel gebruikt”. Hij somt geroutineerd de aantallen ambtenaren, gepensioneerden, oorlogsinvaliden, werklozen en werkenden in de private sector op. De relatief kleine groep jonge Kroaten in het bedrijfsleven kan volgens Kajin niet tot in de eeuwigheid voor de rest blijven opdraaien. „Het creëert een kloof tussen generaties.”

Vanuit zijn flat in een buitenwijk van Zagreb kijkt ingenieur Dejan Marijic uit op Laniste, een stadsdeel waar veel gepensioneerde en gehandicapte veteranen door het leger zijn gehuisvest. Wat hij ziet stemt hem treurig. Mannen die jong genoeg zijn om nog jaren te werken, maar in plaats daarvan hun uitkering opdrinken en –roken op hun balkons. „De regering heeft niets gedaan om ze echt te helpen, te reïntegreren.” Daar nu nog mee beginnen heeft volgens hem geen zin, want banen zijn er weinig en geen werkgever zit nog op de uitgerangeerde mannen te wachten.

Het maakt Ivana Roksandic kwaad. De nationalistische regering wilde oorlogshelden ruimhartig compenseren voor wat ze waren misgelopen in de tijd dat ze aan het front zaten. En dus werden ze met pensioen gestuurd, zegt de 25-jarige studente Frans, Russisch en Japans. De hoge aantallen gepensioneerden en oorlogsinvaliden zijn volgens haar een symptoom van de corruptie en nepotisme in het land. „Mensen kopen op hun 35ste de dokter om voor een verklaring dat ze niet kunnen werken. Die vreten de schatkist leeg.”

Meestal heeft ze haar mening klaar, maar over het aantal veteranen wil ze niets zeggen. „Het was een grote smerige oorlog en hij is er nog altijd”, zegt ze. Haar vader vocht mee en kwam heelhuids terug. Maar de vader van een vriendin sneuvelde. Haar stiefvader is zijn been kwijt. „Ik respecteer ze”, zegt ze aarzelend.

Maar toen een paar jaar geleden werd besloten kinderen van veteranen voorrang te geven bij toelating tot de universiteit was Roksandic woest, omdat daar mensen van profiteren die het niet verdienen. Ze zucht. „Die lijsten moeten openbaar. De beerput moet open.”