Troebele erotiek in psychiatrisch paardendrama

Theater Equus van Peter Schaffer door het Nationale Toneel. Gezien: 10/10 Koninklijke Schouwburg, Den Haag. Tournee t/m 28/12. Inl: nationaletoneel.nl****

Zie eens een paardenoog: fluweeldonker glanzend, je ziet jezelf erin weerspiegeld. Voor de zeventienjarige Alan Strang uit het toneelstuk Equus (1973) van Peter Schaffer is het alsof een alziende godheid in het mysterieuze paardenoog schuilt. De jongen houdt van paarden, duwt zijn gezicht verliefd tegen de paardenhuid. Maar dezelfde jongen bestaat het om met een hoefschraper zes paarden de ogen uit te steken.

Waarom? De Britse schrijver Peter Schaffer las het bericht in een krant: ‘Jongen mishandelt paarden in manege’. Het inspireerde hem tot Equus, dat talloze malen is opgevoerd en ook verfilmd. Dirk Tanghe van het gezelschap De Paardenkathedraal maakte er in 2002 een indringende voorstelling van, die vooral de ontreddering van de jongen liet zien. Bij het Nationale Toneel, in de regie van Johan Doesburg, vertolkt Xander van Vledder de jongen Alan. Door zijn gruwelijke daad moet hij zich onder behandeling stellen. Voor psychiater Martin Dysart (Pieter van der Sman) is de jongen meer dan een pathologische casus. Hij beschouwt de wandaad als een oeroud Dionysisch ritueel.

Op de achtergrond liggen drie zwarte, dode paarden. Dansers maken zich ervan los en symboliseren in een gespierde choreografie de paardenlijven. Dankzij deze abstrahering gaat Equus over de spanning tussen lichaam en verstand, rede en emotie. Dokter Freud is nadrukkelijk aanwezig in de zielkundige analyse van Alan. Vader, moeder, de eerste seksualiteit, religie: alles komt voorbij. Het is een briljante zet van Schaffer dat de psychiater uiteindelijk het slachtoffer wordt van zijn patiënt.

Van der Sman draagt zijn rol als een titelrol: hij staat prominent op het podium. Hij zou de wildheid van een equus, paard, willen bezitten in zijn doffe leven. Zijn vertwijfeling aan de zin van psychiatrie groeit. Dat klopt met de intentie van Schaffer: Equus is het theatrale boegbeeld van de antipsychiatrie. De grens tussen abnormaal en normaal is nauwelijks te trekken. Dit is de terechte strekking van deze regie. Doesburg monteert het stuk met uitvergroot spel en heftige scènes, waarin een troebele erotiek overheerst.

Dramatische belichting, reusachtige projecties en onheilspellende muziek tonen een duistere schaduwwereld, die het menselijk handelen regeert. Van Vledder en Van der Sman raken steeds meer verstrengeld. De aanvankelijke mengeling van branie en onschuld van de jongen ontlaadt zich in een even fascinerende als verlossende biecht: tijdens de eerste seksuele daad met een meisje in de manege denkt hij aan paarden. Hij voelde de jaloerse blikken van de dieren in zijn rug. Opeens valt alles op zijn plaats. Van der Sman vuurt de jongen aan alle herinneringen aan die nacht prijs te geven. Van Vledder grijpt naar het hoofd van een van de dansers; zijn vingers drukken diens ogen dicht.

Het is de psychiater die aan het slot gebreideld is met een scherp bit. Hij heeft de jongen bevrijd.

Door Equus consequent te regisseren als freudiaanse bekentenis, brengt Doesburg ook de ouders in beeld. De atheïstische vader staat tegenover een godsdienstige moeder. Maar zoals Antoinette Jelgersma Alans moeder speelt met kokette rode schoenen aan en een verleidelijke zwaai in de heupen, daar is niets kwezelachtigs aan. Met zo’n leuke moeder lijkt weinig mis. Door Jelgersma’s kittige spel krijgt Equus een nieuwe dimensie: die van de verbondenheid tussen zoon en moeder.