Staatspaternalisme is gevaarlijk

In haar poging de burger op te voeden komt de overheid achter diens voordeur en onder diens bed. Dat is meer dan onwenselijk, vindt Paul Frissen.

De politiek is in de greep van de verheffing. Met opluchting wordt afscheid genomen van postmodern cultuurrelativisme. De staat mag, nee moet weer beschaven. Paternalisme is helemaal terug. Moraliseren is de nieuwe politieke correctheid. Van links tot rechts wordt de burger bij hand genomen, voor zijn eigen bestwil en tot heil van de gemeenschap. De pleidooien voor verheffing suggereren dat de staat momenteel moreel neutraal is en relativistisch, dat onvoldoende over waarden en normen wordt gewaakt, dat te weinig wordt opgetreden.

Ik zie eerder het omgekeerde. Verheffingsideaal en verheffingsbeleid zijn alom.

Het kabinet bereidt een Handvest Verantwoordelijk Burgerschap voor. Toen ambtenaren mij daarover consulteerden heb ik aan hen gevraagd of het kabinet een ander volk wil. Te weinig burgers zijn kennelijk verantwoordelijk. Ik heb hen erop gewezen dat in een democratie de verhoudingen helaas anders liggen. De burger kan een ander kabinet willen, niet andersom. Sterker nog, de notie van burgerschap houdt in dat de burger eenzijdig zijn verhouding met de staat definieert. Voor het overige moet de burger vooral tegen de staat worden beschermd. Het handvest komt er.

Het kabinet heeft een nota uitgebracht over gezonde voeding. Onderdeel daarvan is het propageren van borstvoeding. In de conceptversie van dit beleidsstuk stonden naar verluidt nog kwantitatieve indicatoren om het beleidssucces te meten. Curieus is natuurlijk dat het kabinet opvattingen over borstvoeding heeft en die ook wil uitventen.

Het terrein van jeugd en gezin is sowieso een nieuwe frontlijn, waar taskforces, kwartiermakers en interventieteams beschavingsoffensieven uitvoeren.

Een bekende psycholoog maakt een opvoedingscanon. Daarin staat universele kennis over goede opvoeding die los van culturele contexten schijnt te bestaan. Dat kan nog als een naïeve activiteit worden gedefinieerd, maar wat als nieuwe politieke meerderheden deze canon een meer verplichtende status geven? Of aanvaarden wij deze activiteiten alleen als de politieke meerderheden ons bevallen?

Er zijn tegen het ideaal en de politieke praktijk van de verheffing de nodige bezwaren in te brengen.

Allereerst moeten we nooit vergeten dat wij aan de staat met goede redenen het geweldsmonopolie hebben toevertrouwd. Met dit monopolie handhaaft de staat de rechtsorde en beschermt hij de vrijheid van de burger. De vrijheid van de burger is zijn fundamenteel recht op anders zijn. In ons verschil zijn wij voor staat en recht gelijk. Daarom is de bescherming van de minderheid een belangrijke democratische opgave. Het geweldsmonopolie moet voorkomen dat deze verschillen tot geweld leiden. Onze onenigheid moet draaglijk blijven. De staat kan dat alleen gezaghebbend doen als hij ten aanzien van alle verschillen neutraal blijft. Hij handhaaft de normen – wat niet mag. Hij bemoeit zich niet met de waarden – wat moet. Althans, zo zou het moeten zijn. In werkelijkheid is de staat allerminst neutraal en zeer actief in het domein van de waarden. Er moet immers heel veel: emanciperen, gezond leven, veilig en verstandig eten, participeren, solidair zijn. Dat klinkt sympathiek, maar de staat is geen sympathieke organisatie. Omdat de staat de dwang hanteert en dus als enige institutie immoreel mag handelen moet hij verre blijven van onze moraal. De dreiging ligt altijd op de loer dat politieke meerderheden hun opvattingen over het goede leven aan minderheden opleggen. Dan bevoordeelt de staat liberale geloofsopvattingen boven orthodoxe. Dan sluit de staat een school die uitstekende Cito-scores, maar onaanvaardbare opvattingen heeft. Dan voert de staat een cultuurpolitiek en noemt deze multicultureel. Mij zou het zeer benieuwen of verheffers het aanvaardbaar vinden als een voor de verheffer verachtelijk ideaal via statelijke dwang aan de verheffer zelf wordt opgelegd.

Evenmin mag de staat zich bemoeien met de waarheid. De geschiedenis kan onmogelijk worden gecanoniseerd, zolang er strijdige historische interpretaties zijn. Voor de een is de Beeldenstorm een verzetsdaad, voor de ander cultuurbarbarisme. Dat scheelt in Nederland slechts kilometers. Trots is in het politieke domein net zo gevaarlijk als een pertinente waarheidsopvatting. Een politicoloog zei ooit dat machthebbers het zich kunnen permitteren niet te leren. We hebben machthebbers nodig om de samenleving te beschermen tegen al te enthousiaste verkondigers van de ene waarheid.

Als er al verheffing nodig is, dan zou de politiek eerst naar zichzelf moeten kijken. Ik zie te veel uitroeptekens en hoofdletters als om leiderschap wordt gevraagd. Ik zie een te grote begeerte naar oprekking van bestuurlijke bevoegdheden. Ik zie een onstuitbare ambitie om te interveniëren achter de voordeur, onder het bed en tussen de oren. Ik zou politieke machthebbers de volgende vragen willen voorhouden. Beheert u de instrumenten van de macht op een gematigde en terughoudende wijze? Respecteert u voldoende het verschil en beschermt u de minderheid, ook als het gedrag u niet bevalt? Zorgt u voor checks and balances in uw domeinen van handelen? Normeert u de statelijke interventies voldoende? Beseft u, kortom, voldoende dat het gevaar van de macht verplichtend werkt? De nobele arbeid van de verheffing kan dan aan de samenleving worden gelaten.

Paul Frissen is decaan en bestuursvoorzitter van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur in Den Haag, hoogleraar bestuurskunde aan de Universiteit van Tilburg en lid van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling. Binnenkort verschijnt zijn nieuwe boek Gevaar verplicht. Over de noodzaak van aristocratische politiek. (Van Gennep, Amsterdam)