Nog lang geen A-sport

Sevens-rugby verkreeg vrijdag de olympische status.

Maar dat Nederland er bij de Spelen van Rio de Janeiro in 2016 bij zal zijn lijkt niet waarschijnlijk.

Omdat het scorebord van de Leidse rugbyclub DIOK al een paar weken dienst weigert ontging veel bezoekers van de topper tegen Hilversum, zaterdag, de symboliek van de uitslag: 7-7. Een dag eerder vierde de sport dat de snelle, spectaculaire sevens-variant (zeven tegen zeven) de olympische status verkreeg. Maar in het Nederlandse toprugby bestaan er grote twijfels of Nederland er vanaf het eerste uur, de Spelen van Rio de Janeiro (2016), bij zal zijn.

„Ik hoop het wel, maar als ik realistisch ben denk ik van niet”, zegt DIOK-speler Jordy Bonhof, oud-aanvoerder van het Nederlandse sevens-team. Hij zou in 2016 als dertigjarige nog net naar Rio kunnen. „Maar deze erkenning is sowieso goed voor het rugby, ook in Nederland.”

De wind blaast dwars over sportpark De Eendracht, waar de nummers één en drie van de ereklasse elkaar ontmoeten ten overstaan van ongeveer tweehonderd kijkers, overwegend familie en clubmensen. Dat geldt ook voor de lijnrechters – in spijkerbroek.

Rugby als pure amateursport: de penaltykick van sevens-international Leon Koenen drijft zo ver af dat de bal op de Smaragdlaan stuitert, rakelings langs een passerend voertuig. Gelukkig zijn er nauwelijks media aanwezig om deze misser te kunnen noteren.

Hoewel de ambities verder reiken, lijkt een A-status nog ver weg zolang de toppers volstaan met twee of drie trainingen per week. „Dat is al lastig, want het kost een hoop tijd”, zegt de manager van het Nederlandse sevens-team, Tony Boersma.

Niemand blaast dan ook hoog van de toren, ook al wil de rugbytop dolgraag meer. Wellicht biedt sevens de sleutel om de rugbysport in Nederland te laten groeien, zegt international Dirk Danen (Hilversum), vorig seizoen verkozen tot jeugdspeler van het jaar. „Rugby sevens is geweldig. Als de Nederlandse jeugd het te zien krijgt kan het een grote sport worden. Als het vaker op televisie komt zullen jongeren net iets eerder gaan rugbyen.”

En sevens biedt meer. Juist omdat een rugbydwerg als Nederland het niet moet hebben van de breedte, kan een team met zeven toptalenten een heel eind komen. Of, zoals manager Boersma het formuleert: „Bij sevens wint David regelmatig van Goliath.” Wat hij wil zeggen: „Met een stevig team van vijftien man kun je je tegenstander slopen. Die zijn op een gegeven moment gewoon kapotgetackeld. Met sevens kun je na twee briljante ingevingen een 10-0 achterstand ombuigen in een 14-10 voorsprong.”

Hoogstwaarschijnlijk zijn de All Blacks een paar ferme sprongen te hoog gegrepen, maar in sevens is de trend wel degelijk zichtbaar, getuige de successen van rugbyeilanden als Fiji en Samoa.

Op de nu te verwachten extra aandacht is de hoop in Nederland gevestigd. Maar net als Boersma is ook Bonhof van DIOK niet optimistisch over zijn olympische toekomst. „Op de Spelen van 2016 komen de twaalf beste landen van de wereld. Wij staan nu 34ste op de wereldranglijst. Ik denk dat het net wat te vroeg is.”

Tijdens het laatste EK-kwalificatietoernooi, afgelopen zomer, verraste de Nederlandse sevens-ploeg met een zege op favoriet Italië, tegenwoordig van wereldniveau, maar het eindtoernooi ging door één nederlaag aan Nederland voorbij.

Danen: „We hebben nu een fantastisch sevens-team. Hiermee kunnen we verder bouwen en de sport promoten. Het zal niet professioneel worden, maar je kunt er alles aan doen om elke dag te trainen.”

De Hilversummer zou er voorstander van zijn de Nederlandse sevens-spelers uit de reguliere competitie te halen en zich volgens het ‘Bankras-model’ voor te bereiden op de Spelen. „Als wij iets willen met de Spelen moet heel rugbyend Nederland zich gaan concentreren op sevens.” Zijn opponent Bonhof heeft zijn twijfels, al zou hij graag een nationale Sevens-competitie zien. „We hebben misschien twintig goede spelers. Dat is te weinig voor een serieuze competitie. Het zou wel goed zijn als er meer geld in werd gestoken, zodat spelers vaker vrij kunnen nemen voor extra trainingen. Je moet trainen, trainen, trainen.”

Maar sevens-manager Boersma vindt dat Nederland „de boot heeft gemist” met rugby. En dat gevaar bestaat ook voor het nieuwe olympische spel. „Rugby is in Nederland een vreemde eend in de bijt. We hebben de grootste, gemeenste en sterkste mensen, maar we doen er niks mee. We laten ze tegen een balletje trappen.”

Hij verwacht ook niet dat rugby als olympische sport een enorme zuigkracht zal ontwikkelen op Nederlandse sporters. „Je moet bij sevens twintig keer achter elkaar zestig meter kunnen sprinten, terwijl je van alle kanten klappen krijgt. Je doet jezelf verschrikkelijk pijn. Je moet het leuk vinden jezelf af te knijpen. En je krijgt er niks voor betaald. Nederlanders zijn niet erg opofferingsgezind.”

Boersma vindt dat Nederland structureel moet investeren in het jeugdrugby. Een zoektocht naar Zuid-Afrikanen en Nieuw-Zeelanders met een Nederlands paspoort is een optie voor de korte termijn, maar de Zuid-Afrikanen mogen het Nederlandse rugby niet gaan beheersen, vindt hij. „Ik ben daar niet zo’n voorstander van.”