Multatuli's passieverhaal is nu anderhalve eeuw oud

Morgen is het 150 jaar geleden dat Multatuli zijn Max Havelaar voltooide. Had hij nu geleefd, dan had hij waarschijnlijk een film gemaakt en geen boek geschreven.

Een boek is jarig, morgen. Sterker: hét boek is jarig – Max Havelaar, of de koffij-veilingen der Nederlandsche Handelmaatschappij. Kortweg: de Max Havelaar, voltooid op 13 oktober 1859 en in mei 1860 verschenen.

Eduard Douwes Dekker (1820-1887) schreef zijn ‘beslissende boek’ in enkele weken, op een koude zolderkamer in Brussel. Het was een korte maar hevige lijdensweg. In brieven maakt hij melding van diverse plaaggeesten: wandluizen, kramp in zijn vingers van het manische schrijven en slechte ogen waardoor hij bij kaarslicht amper kon werken. Maar toch, op de avond van 13 oktober 1859 schreef hij aan zijn vrouw Tine de verlossende woorden: „Lieve hart, mijn boek is af, mijn boek is af! Hoe vind je dat? (...) En ik sta U borg dat het opgang maakt. Het zal als een donderslag in het land vallen, dat beloof ik je.”

Bescheidenheid was geen karaktertrek van Douwes Dekker, maar deze belofte zou hij waarmaken. Max Havelaar groeide uit tot het symbool in de strijd tegen koloniale uitbuiting. In de afgelopen anderhalve eeuw is het boek vertaald in meer dan veertig talen. Naast de Bijbel staat het als enige boek in de Canon van de Nederlandse geschiedenis. In 2002 is de Havelaar uitgeroepen tot ‘het klassiekste literaire werk’ van Nederland.

Max Havelaar is alles tegelijk: onnavolgbaar geschreven en geraffineerd gecomponeerd, satirisch en poëtisch, onthullend in feiten en uiteindelijk bloedspuwend kwaad van toon. Het is een literair monument, maar noem het nooit een ‘roman’ of ‘een mooi boek’. Multatuli (Dekkers’ schrijversnaam) heeft de Max Havelaar niet voor de mooiigheid geschreven. Het is, typeerde hij zelf in een brief uit januari 1860, „een memorie van grieven, het is een aanklacht, het is een bevel!”

Zou Multatuli in deze tijd hebben geleefd, dan had hij documenten kunnen ‘lekken’ naar de media, hij had opiniestukken in kranten kunnen schrijven (na verschijning van zijn boek deed hij dat volop), hij had in de politiek kunnen gaan (wat hij wilde).

Waarschijnlijk had hij, 150 jaar later, niet eens gekozen voor een boek als medium voor zijn wanhoopskreet – hij zou een film hebben gemaakt, zoals de ex-VVD’ers Ayaan Hirsi Ali (Submission) en Geert Wilders (Fitna) dat hebben gedaan om de aandacht van het brede publiek op te eisen.

Het boek dat Multatuli in de herfst van 1859 schreef, gaf hij de vorm van een wolf in schaapskleren. Letterlijk noteerde hij hierover, opnieuw in een brief aan Tine: „Als ik had uitgegeven: Klacht tegen het Indische Bestuur, dan had niemand mij gelezen. Ik laat de lezers nu lang in de waan dat zij een half grappige, half ernstige vertelling lezen, en pas als ik hen aan het lijntje heb, kom ik uit de hoek met de hoofdzaak.”

Die hoofdzaak komt pas aan het slot van het boek, waarin Multatuli letterlijk uitschreeuwt: „DE JAVAAN WORDT MISHANDELD.” In 1859 was dat de werkelijkheid die weinigen wilden horen. Wat zou sindsdien zijn veranderd? Evenals de Bijbel blijft Max Havelaar een boek dat verhalen in verhalen en verhalen achter verhalen vertelt. Of, simpeler gezegd: Multatuli schreef een lijdensverhaal dat van alle tijden is.

Gijsbert van Es werkt aan een hertaling van de Max Havelaar die begin 2010 verschijnt.