Je tijd heeft jou gehad

‘Those were the days, my friend’, hoorde ik laatst nog weer eens zingen uit de radio en niet voor de eerste keer dacht ik: welke days waren those?

Je informeert weleens bij mensen of ze een those-were-the-daysgevoel hebben en om welke tijd van hun leven het dan gaat. Het zijn losse verhalen die je krijgt, niets om conclusies uit te trekken, behalve dan dat veel mensen inderdaad een periode gehad hebben, gehad zeggen te hebben, waarin ze naar hun eigen gevoel volop in leven waren. Vaak in de tijd dat er iets opgebouwd werd wat ook lukte – de eerste echte baan, de kinderen klein, drukte, volheid, verwachtingen ook. Dat laatste lijkt me eigenlijk cruciaal, in dat liedje is het ook zo: we zouden altijd zo doorgaan, we zouden het leven kiezen dat ons beviel, het zou gaan zoals wij het wilden. The days vallen vóór de eerste grote teleurstellingen.

Misschien vallen ze ook wel samen met wat psychologen, we weten het van Douwe Draaisma, de ‘reminiscentiehobbel’ noemen, de tijd van leven waarvan oudere mensen zich het meest herinneren. Die hobbel zit ergens tussen het 17de en het 23ste jaar.

Over de andere kant hoor je veel minder. Het moment waarop men zich realiseert: dit is mijn tijd niet meer. Ineens hoor je een vriendin vrolijk zeggen: „Nou ja, ik heb mijn tijd gehad”, en hoewel ze nog steeds leuk en vrolijk en actief is, begrijp je wat ze bedoelt.

En eigenlijk is het nog erger: je tijd heeft jou gehad. De tijd is jouw tijd niet meer. Jongere mensen kunnen dat zo keihard tegen iemand zeggen: „Ja, dat was misschien zo in jouw tijd.” En oudere mensen zeggen het zelf ook: „In mijn tijd deed je dat niet.”

Mijn tijd. Wat was dat dan voor tijd?

Ik las weer eens in Leven en lot van Vasili Grossman, echt een van de geweldigste en rijkste boeken in jaren, en daar stond: „Zo is de tijd: alles verdwijnt, maar hij blijft, alles blijft, maar hij verdwijnt. En hij verdwijnt zo vlug en geruisloos. Gisteren nog was je zelfverzekerd, sterk en vrolijk, een zoon van je tijd. Maar vandaag is een andere tijd aangebroken, je hebt het alleen nog niet begrepen.”

Soms zie je hoe iemand dat overkomt, dat hij als het ware uit de tijd valt, achtergelaten wordt op het perron terwijl de wereld verder raast, en daar staat-ie dan, met zijn koffer. „Deze tijd is niet mijn tijd.” Het is de tijd van de anderen. De jouwe – ach…

Er zijn verschillende tijden uiteraard waaraan je refereert als je zegt „ik heb mijn tijd gehad” of „deze tijd is niet meer de mijne”, of „those were the days”.

Er is de grote tijd waaraan we nu eenmaal onderhevig zijn, de tijd van de slijtage en het ouder worden, onverbiddelijk.

Er is de tijd van de wereld, de wereld die je laat weten dat je een zoon of dochter van je tijd bent, dat je middenin de gebeurtenissen staat, dat je alles begrijpt en er greep op hebt – althans zo mag je dat graag zien. De tijd, het nu, is van jou. Die tijd duurt misschien zo’n beetje tot je vijftigste, vijfenvijftigste en dan wordt de wereld minder van jou. Dan is er ‘een jongere generatie’ en die hoor je de dingen zeggen die je zelf ‘destijds’ ‘in jouw tijd’ zei, dingen die erop neerkomen dat oudere mensen maar eens hun mond moeten gaan houden omdat ‘wij’ nu aan de beurt zijn. De ‘wij’ wier tijd het is weten het beter, of anders.

In welk toneelstuk was dat ook weer, dat Helena, de mooiste vrouw op aarde, allang weer terug uit Troje, tegen jongere vrouwen zegt: „Ik ben Helena.” En dat zij zeggen: „Maar wij zijn jong.” En dus is zij, hoe eeuwig ze ook is, voorbij. Niet als beeld of als reputatie, niet als herinnering, maar wel als dochter van haar tijd.

En er is je eigen leven, waarin er een tijd lijkt te zijn dat je de geschiedenis van je leven schrijft en een ‘natijd’. Ik weet niet precies wanneer die natijd aanbreekt, dat zal voor iedereen wel verschillend zijn. Er zijn misschien ook in een leven meerdere ‘natijden’ – na de tijd dat je thuis woonde, na de dood van ouders, na een breuk met een geliefde, na het vertrek van de kinderen uit huis. Those were the days niet meer.

En hoe leef je dan? Niet per se ontgoocheld, hoewel ook niet helemaal niet. Je kunt van ‘wijzer’ spreken, ervarener, misschien ook wel milder.

Maar als de tijd niet meer volop de jouwe is, dan is alles toch een beetje kouder geworden. Grossman laat een personage overwegen: „De tijd stroomt een man of een staat binnen, nestelt zich in hen en gaat dan weer, de tijd verdwijnt, maar de man en de staat blijven, ook al is hun tijd voorbij. Waar is hij heen? De man ademt, hij denkt, hij huilt, maar zijn eigen enige, speciaal met hem verbonden tijd is weg, verstreken, vervlogen. En de man blijft achter.”

Dat is een raar beeld, maar het is wonderlijk precies. De tijd met zijn echte dagen en echte leven is voorbij, maar je bent er nog, een stiefkind van de huidige tijd, die niet meer de jouwe is en nooit meer zo van je zal houden als je eigen tijd deed.

Ach nu ja. Het kwam door dat liedje.

Wilt u reageren? Dat kan op nrc.nl/vos