Het ontpolderingsmodel

Soms is dit mooie, bevoorrechte land om moedeloos van te worden. Het kabinetsbesluit om toch de Hedwigepolder te ontpolderen biedt geen enkele verlossing. Het is een laatste ruk aan een onontwarbare Gordiaanse knoop van tegenstrijdige belangen en inzichten. Collectief zitten we zo in de knoop met onze doelen en onze middelen, dat geen enkele uitkomst zelfs maar bij benadering bevredigend is. Dat kan toch niet de bedoeling zijn van ons veel geroemde poldermodel.

Voor wie de bloederige details zijn ontgaan, een (zeer) korte inhoud van het voorafgaande. Middels een verdrag met België heeft Nederland zich verplicht tot het uitdiepen van de Westerschelde ten bate van de doorvaart naar Antwerpen voor 2010. Daartegenover moet zogeheten natuurcompensatie staan, omdat het uitdiepen onder andere vogelbroedgebieden beschadigt. Hoewel er buitendijks wel wat ruimte is voor schorren en slikken, blijkt er na vele studies geen ander alternatief dan de Hedwigepolder onder water te zetten, iets wat voor de Zeeuwen – en de eigenaar van het land – onacceptabel is. Een meerderheid in de Eerste en de Tweede Kamer heeft zich eerder tegen ontpoldering uitgesproken, net als de premier. De natuurbeschermingsorganisaties hebben daarnaast bij de Raad van State een procedure aangespannen om de baggervergunning op te schorten.

Het vertrouwen tussen de natuurbeweging en de landbouw, tussen de Zeeuwen en de centrale overheid heeft hiermee een behoorlijke deuk gekregen. De Zeeuwen roepen emotioneel dat mensen honger lijden terwijl de beste landbouwgrond vernietigd wordt – een argument dat eerlijk gezegd geen hout snijdt, want helaas helpen Zeeuwse aardappelen en bieten niet tegen honger elders. Maar dat laat onverlet dat het voor velen moeilijk te begrijpen is dat land onder water moet worden gezet ten bate van de natuur, ook al bestaan er verschillende precedenten in Nederland.

Op het eerste gezicht gaat het om bekende belangentegenstellingen tussen natuur en landbouw. Dat betekent altijd dat appels en peren moeten worden vergeleken. Hebben vogels voorrang boven boeren en woningen? Is voedselproductie minder belangrijk dan een haven of dan de natuur? Is werkgelegenheid in de haven van een buurland meer doorslaggevend dan in een eigen provincie? Is de Hedwigepolder niet zo klein dat het ontpolderen niets uitmaakt, noch voor de landbouwgrond, noch voor de vogels? Zijn vogels, bodemleven en schorren echt 80 of 100 miljoen waard (de kosten van ontpoldering of buitendijkse natuurcompensatie)? Of is alles niet uit te drukken in een simpele winst- en verliesrekening?

De premier, en daarmee het kabinet, heeft het hoofd in de schoot gelegd omdat er voor ontpoldering en verdieping van de vaargeul geen alternatieven bestaan. We zitten klem tussen een verdrag met de Belgen en een Europese richtlijn en nu valt daar alleen al op juridische gronden niets meer aan te doen.

Maar wie verder kijkt dan het hier en nu, realiseert zich dat ontpoldering en uitbaggering geen stabiele oplossingen vormen. De natuur zelf is in beweging, net zoals menselijke behoeften en technologie voortdurend veranderen. De Westerschelde trekt zich niets van ons aan en gaat lustig voort met dichtslibben en ondieper worden. Door hetzelfde natuurlijke proces zullen de schorren en slikken die in de Hedwigepolder moeten ontstaan ook weer verdwijnen of permanent droog vallen. Bovendien, zeeschepen worden steeds groter en zullen steeds moeilijker in de nauwe en bochtige vaargeulen passen. Veiligheidseisen aan transport zullen moeten worden opgeschroefd. Handelsstromen veranderen van karakter. De arbeid van vandaag zal vervangen worden door hoogwaardige, computergestuurde apparatuur waar steeds minder mensen aan te pas komen.

Op de tijdschaal van enkele decennia of meer zal het probleem van de Westerschelde er ongetwijfeld heel anders uit zien – net als in de jaren zeventig niemand had kunnen voorspellen dat we de olieconsumptie aan banden zouden leggen, niet vanwege de schaarste maar vanwege de CO2-uitstoot. En net zoals niemand in 1839, toen het verdrag met België werd gesloten, weet had van containervervoer of vogelbescherming. Op een ruimere tijdschaal kun je je voorstellen dat de Antwerpse haven vervangen wordt door een internationale zeehaven in de Noordzee gecombineerd met energiewinning uit wind en getijdenbewegingen, waar gigantische containerschepen aanleggen, die ook door Hamburg, Rotterdam en Londen wordt gebruikt, of de verplaatsing van de Vlaamse haven naar de Belgische kust. Zo wordt de Westerschelde een stiltegebied voor ecotoeristen.

Ook een andere ruimteschaal biedt perspectief. Waarom moet natuurcompensatie precies daar ter plekke, dus in de Westerschelde, plaatsvinden? Je kunt je afvragen of de Europese richtlijn op dezelfde wijze toepasbaar is in een dichtbevolkt gebied als bijvoorbeeld in Schotland. Ja, de Westerschelde is onderdeel van Natura 2000, het Europese netwerk van belangrijke natuurgebieden. Maar is die natuur zo uniek dat niet elders, in Nederland of daarbuiten, compensatie gevonden kan worden? Op zijn minst zou er verder gesproken moeten worden over een Europese richtlijn waarvan de toepassing zo tot problemen leidt.

Alle tegenstellingen en oplossingen zijn uiteindelijk het gevolg van denken op té korte termijn en té kleine schaal. Daarom mag de besluitvorming over de Westerschelde niet alleen de geschiedenisboekjes ingaan als een voorbeeld van bestuurlijke verwarring, provinciale dwarsliggerij en persoonlijke inmenging van een premier. Het is hier echt geen Italië. Hoe moeizaam ook, de Westerscheldekwestie is niet het zoveelste bewijs van het failliet van het poldermodel – na de AOW kan dit er ook nog wel bij. Maar het toont wel aan dat het poldermodel verwordt tot een optelsom van tegenstrijdigheden met ongewenste uitkomsten als niemand waakt over de lange termijn en de grotere schaal. En dat is bij uitstek de rol van de regering.