Het is nog niet te laat om Opel te redden zonder staatssteun

Duitsland wordt door zijn Europese partners de les gelezen over de vrije markt. Twee recente grote transacties, waarbij het land was betrokken, hebben elders in Europa tot verontwaardiging geleid. De aantijging luidt dat deze deals volledig in strijd zijn met de marktbeginselen en de rechten van minderheidsaandeelhouders met voeten treden.

Neem de verkoop van Opel aan een samenwerkingsverband tussen de Canadese auto-onderdelenproducent Magna en de Russische staatsbank Sberbank, die tot stand is gekomen met steun van de Duitse overheid. Londen en Madrid zeggen dat de overeenkomst over de Europese activiteiten van General Motors Duitse fabrieken en werknemers oneerlijk bevoordeelt, ten nadele van Britse en Spaanse werknemers.

Daarnaast heeft het Noorse staatsfonds Norges Bank Investment Management (NBIM) een brandbrief geschreven aan de raad van commissarissen van de Duitse autoproducent Volkswagen, om te klagen over de voorgenomen fusie met Porsche, de sportwagenfabrikant die tevens meerderheidsaandeelhouder van Volkswagen is. NBIM zegt dat de deal ten onrechte de controlerende families van Porsche bevoordeelt, ten koste van de minderheidsaandeelhouders.

Deze buitenlandse klachten over Duitse staatsbemoeienis en de twijfelachtige bestuurspraktijken in het land komen op een moment dat van cruciaal politiek belang is. Angela Merkel, de centrum-rechtse bondskanselier die zojuist de parlementsverkiezingen heeft gewonnen, kan niet regeren zonder de steun van de liberale FDP.

Maar de FDP, die een jarenlange erfenis van wazige centristische ideologie van zich heeft afgeschud, heeft in de campagne geschermd met de principes van de vrije markt. Sommige FDP-leiders hebben de Opel-deal zelfs bekritiseerd. Zij waren niet de enigen. Ook de Duitse minister van Economische Zaken, Karl-Theodor zu Guttenberg, heeft zijn bedenkingen geuit.

Het hoeft nog niet te laat te zijn om de Opel-deal economisch verantwoorder te maken, op een manier die onderkent dat de hele Europese autosector aan overcapaciteit lijdt. De hoop is dat de Europese Commissie serieuze wijzigingen van de overeenkomst zal eisen alvorens er haar goedkeuring aan te geven.

Wat Porsche en Volkswagen betreft, lijkt het erop dat NBIM heeft gekozen voor de enig mogelijke route door in het openbaar uiting te geven aan zijn bezwaren. Het bereiken van veranderingen zou wel eens een stuk lastiger kunnen blijken, gezien de structuur van de betrokken bedrijven en de overeenkomst. Met een beschuldigende vinger wijzen naar de controlerende families bij de autobedrijven zal zeer waarschijnlijk niet volstaan.

Pierre Briançon