Een prins, een burgemeester en mijn grootvader

‘Standen moeten er wezen’, placht mijn grootvader te zeggen. Zelf heeft hij het nooit verder geschopt dan ‘hoofd eener school’, en dat liet hij – blijkbaar toch niet helemaal ontevreden – vóór de invoering van de spelling-Marchant op zijn briefpapier drukken. Maar hij bedoelde het ook absoluut niet sarcastisch, laat staan opstandig (hij was liberaal), hij had er gewoon vrede mee dat de maatschappij nou eenmaal was ingericht zoals ze was ingericht. Als hij het zelf had mogen overdoen was er ongeveer hetzelfde uitgekomen: dat de een zich zonder problemen een tropisch vakantiepaleis aan de Indische Oceaan kan veroorloven, de ander zich bij jan en alleman en het integriteitsbureau moet verantwoorden voor een poor man’s huisje aan de Zwarte Zee in Bulgarije, en een derde op z’n allermooist op z’n ouwe dag, bijna blind, van z’n spaargeld een dagcruise over het IJsselmeer mag meebeleven.

Wat me intrigeert aan de burgemeester van Maastricht is niet eens die Zwarte Zee, die in de 19de eeuwse hoogtijdagen van de Russische literatuur nog wel iets voornaams schijnt te hebben gehad – hoewel Tsjechov al liever naar de Rivièra ging. Daarna kreeg je in die omgeving eerst de rode opstand op de Pantserkruiser Potemkin, daarna het gepoker van Stalin, Roosevelt en Churchill tijdens de conferentie van Jalta, en nu nog steeds allerlei onfrisse ruzies tussen Russen en Oekraïners. ‘De buurt is wel achteruitgegaan’, zou mijn moeder hebben gezegd.

Waarom zou je dan van je zuurverdiende honorarium tweeënhalve ton – dat is wat Willem Alexander alleen nog maar heeft moeten inleggen om een kans te maken bij nazi-kleinzoon Flick – aan de Bulgaarse kant van die besmette Zee voor een optrekje betalen? Dat roept natuurlijk verdrietige herinneringen op aan Joop den Uyl die er in de jaren zeventig, terwijl hij nota bene premier was, met Liesbeth ging kamperen – en volgens Telegraaf-roddels ook nog weleens probeerde terug te rijden zonder de campinghouder betaald te hebben. Dan zou ik er als ik Leers was geweest liever nog bij Scheringa tweeënhalve ton bij hebben geleend, om iets simpels in Spanje of Italië te zoeken. Bulgarije! Hoe haalt iemand het in z’n hoofd.

Wat me intrigeert zijn de verhalen – bijna al bewijzen – dat Leers voor zo’n dom bungalowtje in Byala (het Bakkum van Bulgarije) belangenverstrengeling zou hebben gepleegd. Eerst via een eigen ambtenaar (!) die aandeelhouder is (!) van een in Bulgarije knoeiende projectontwikkelaar (!) de boel insteken, en als er oponthoud dreigt de Bulgaarse ambassadeur (!) in Nederland inschakelen in een brief ondertekend met ‘Gerd Leers, burgemeester van Maastricht’(!), en tenslotte een Bulgaarse tentoonstelling (!) van ‘gouden voorwerpen uit Thracië’ door de gemeente Maastricht laten subsidiëren (!) - dat zijn zeven uitroeptekens in één zin, dus dat moet haast wel stinken.

Maar Gerd Leers stinken? Die was als Kamerlid toch de vleesgeworden onkreukbaarheid? Weliswaar voor het CDA, maar ook elders was er altijd en onveranderlijk respect. Telkens als Balkenende weer een poosje uit vorm was. richtte ieders blik zich naar hem. ‘Als er in onze kring nou iemand is met een visie, iemand die de regie kan voeren, iemand die Wilders in z’n zak steekt en tegen wie zelfs de koningin elke maandagmiddag met ontzag opkijkt , hoorde je dan, ‘dan is het Gerd wel’.

Zou het kunnen zijn dat Gerd in Den Haag, dus boven de grote rivieren, immuun was voor de ziektekiemen die het openbaar bestuur vooral in Limburg ernstig bedreigen, en dat hij onmiddellijk ten prooi viel aan de roomse zonde van kleine knoeierije zodra hij zich in Maastricht had gevestigd?

Het blijft crimineel kruimelwerk, natuurlijk. Maar ik denk dat mijn grootvader daarom ook over de hiërarchie binnen het Kwade zou hebben gezegd: standen moeten er wezen.

Lees eerdere columns van Blokker op nrcnext.nl/blokker