We gaan het natuurlijk niet over liefde hebben

Waar drama gebeurt, kan de kunst niet afzijdig blijven. In het Londense National Theatre ging deze week het toneelstuk The Power of Yes in première, waarin auteur David Hare probeert de oorzaken van de kredietcrisis bloot te leggen. Het was als toegankelijk hoorcollege zeer interessant, schreef deze krant, maar als toneel minder geslaagd.

Dan had ik een week eerder meer geluk, en niet eens in Londen maar in Enschede. Daar zette de Nationale Reisopera een indrukwekkende interpretatie van Wagners Rheingold neer. Ik was er met een vriend, en na afloop keken we elkaar beduusd aan. De beslissing dit stuk in productie te nemen is natuurlijk ver voor het begin van de crisis genomen, maar het leek een bewust en gericht commentaar op de dynamiek van de economie van de laatste tijd.

Oppergod Wotan is nogal veel bezig met allerlei dingen buiten het blikveld van echtgenote Fricka. Zij is daar niet gerust op en denkt hem meer aan huis en haard te binden met een paleiselijke godenwoning, de Walhall. Dat lijkt hem wel wat – een huis dat zijn macht en Herrlichkeit tot uitdrukking brengt, als een soort buitenplaats aan de Vecht, maar dan aan de Rijn en groter. Hij is wel oppergod maar zelf iets bouwen kan hij niet, dus net zoals iedere baas huurt hij arbeiders in, de reuzen Fasolt en Fafner. Hun belooft hij, buiten medeweten van Fricka, dat zij als loon haar zuster Freia mogen hebben, de godin van liefde en leven. Wanneer zij dat loon komen opeisen, wordt het Wotan duidelijk dat hij niet over Freia had mogen beschikken, en verder dat ook de goden zelf zonder de liefdesgodin kwijnen en versterven. Bij wijze van list biedt hij daarom de reuzen aan hen af te kopen met iets wat evenmin zijn eigendom is, de ring van de zwarte elf Alberich. Maar ook die is daar niet eerlijk aan gekomen. Hij had gehoord dat degene die het Rijngoud bemachtigt en er een ring uit weet te smeden, de wereldheerschappij zal verwerven. Dat prikkelde zijn begeerte genoeg om het goud te roven. Zelfs ten koste van een aanvullende voorwaarde – het afzweren van de liefde.

Dat hebzucht aan de basis ligt van de financiële crisis, daar zijn de geleerden het wel over eens. Liefdeloosheid heb ik nog nooit iemand horen noemen. Daar hebben we het niet over in de wereld van financiën en zaken. Liefde is voor popsongs, voor verliefden, voor mammies en baby’s. Liefde is voor de privésfeer; zakenlieden en bankiers doen daar alleen in hun vrije tijd aan. Dat is een ernstige vergissing. We hebben liefde gelijkgesteld met de emotie die hoort bij bepaalde vormen ervan, als het zoete gevoel van verliefdheid of vertedering. Maar het is veel meer dan dat. Het was vroeger een van de zeven kardinale deugden, samen met moed, rechtvaardigheid, realiteitszin, matiging, geloof en hoop. Deugden waren attitudes, levenshoudingen. Zij waren heel wat anders dan emoties, dat zijn golven die je stuurloos maken. Deugden zijn bewust, actief, stuurbaar en je kunt ze oefenen en trainen. Zo kun je ook besluiten lief te hebben – of niet, uit lamlendigheid, onwetendheid of met opzet, zoals Alberich.

Liefde als bewust beoefende deugd is het besef dat je met allerlei touwtjes vastzit aan de ander, en weten dat je zelf schade lijdt als er met de geliefde iets gebeurt. De ouden hebben het op talloze manieren verwoord, van het ‘Gij zijt dat’ van de Indiërs tot het ‘Heb uw naaste lief als uzelf’ van Joden en christenen. Maar wij hebben liefde gereduceerd tot iets van het hart, de buik en nog lager. Het hoofd doet niet mee, tot onze schade.

Wie het Rijngoud rooft en de liefde afzweert, zal over de wereld heersen. Misschien ligt dat niet aan een magische kwaliteit van het goud of zo, maar aan het karakter van degene die tot deze daden in staat is. Tegen liefdeloosheid en hebzucht is niets bestand. Het is het giftige mengsel van de verschroeide aarde, van de geplunderde samenleving.

„We kunnen makkelijk uit de crisis komen als we de hebzucht weten te beteugelen,” vond een vriend van me laatst. Dat lijkt me een kansloos project. We zijn genetisch bepaald tot grijpen, graaien, en pakken. Zie de gretigheid van de zuigeling bij de moederborst – de baby die dat niet doet, gaat dood, het is een levensbelangrijke reflex. Misschien is een andere weg dat we de liefde opnieuw weten te ontwikkelen. Niet afgedwongen, bij decreet, want dat is de weg van de heerschappij, de weg van Alberich, en die leidt tot nog meer ellende. Wat we wel kunnen doen, is ons er elk voor zich in oefenen, en een omgeving scheppen die zulke oefening voedt en koestert.

Maar we gaan het in een zakelijke omgeving toch niet over liefde hebben? Misschien juist wel. Het is net als met taboes, wat niet gezegd mag worden, oefent vaak een verborgen aantrekkingskracht uit. Goede kans dat juist dit zwijgen deel is van onze probleem. Eén in het oog springend gemeenschappelijk kenmerk van alle gestrande banken en ondernemingen van de laatste tijd is in elk geval dat ze liefdeloos zijn behandeld. Niemand van de bestuurders en toezichthouders zei: „ik hoor bij jou en als jij schade lijdt, ga ik er zelf ook op achteruit.” Waar liefde nodig was, leverden ze hun bedrijven over aan de lust van belagers.

Dus vraag maandag eens aan uw baas, collega of medewerker: „Vertel eens, hou jij eigenlijk van dit bedrijf, en waar is dat aan te merken?” Of vraag het eerst aan uzelf.