Strafhof staat machteloos in Gaza

De kans dat verdachten van oorlogsmisdaden in Gaza terecht zullen staan voor het Internationale Strafhof is zeer klein tot nul, zeggen deskundigen.

Israël en de Palestijnse fundamentalistische organisatie Hamas moeten verdachten van oorlogsmisdaden tijdens de Gaza-oorlog berechten, zei onderzoeksrechter Richard Goldstone bij de presentatie van zijn rapport. Gebeurt dat niet, dan moeten verdachten zich volgens Goldstone bij het Internationale Strafhof in Den Haag verantwoorden.

De Israëlische regering reageerde woedend op het rapport; dat maakt het volgens haar voor een democratische staat onmogelijk om zich tegen terreur te verweren.

Maar moet Israël zich echt zorgen maken, de militairen en politici die betrokken waren bij de Gaza-oorlog, waarbij circa 1.400 Palestijnse doden vielen? „Laat ik het simpel zeggen: nee”, zegt de Israëlische emeritus hoogleraar Internationaal Recht Yoram Dinstein. „Vervolging door het Strafhof lijkt me uitgesloten. Daar zijn de politieke en juridische omstandigheden nu niet naar.”

Israël erkent het Strafhof niet en heeft genoeg steun van de Verenigde Staten – die het Hof evenmin erkennen – om aan vervolging te ontkomen, zegt Dinstein. „De Soedanese president Bashir wordt nu vervolgd, terwijl Soedan het Strafhof niet erkent.” De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, waarin de VS een vetorecht hebben, had de kwestie-Soedan doorverwezen naar de aanklager. „Dat zal Israël niet overkomen zolang de VS achter hen staan.”

Om de aanklager van het Strafhof aan het werk te zetten, is een opdracht van de Veiligheidsraad nodig. Daartoe moet eerst de Mensenrechtenraad van de VN over het rapport stemmen. Maar na zware druk van Israël en de VS – Israël dreigde het vredesproces helemaal te beëindigen – trok de Palestijnse president Mahmoud Abbas vorige week zijn steun voor een resolutie over de misdaden in. Dat sloeg de basis onder de resolutie weg.

De stap leidde tot diplomatieke verwarring en grote woede onder de Palestijnse bevolking. De stemming over de resolutie is tot maart 2010 uitgesteld. Voor Israël lijkt er tot die tijd geen vuiltje aan de lucht. De Veiligheidsraad praat volgende week over de kwestie, maar zal er niet over stemmen.

Er ligt nog een andere weg open om de kwestie-Gaza naar het Strafhof te verwijzen. Het Statuut van Rome, het oprichtingsverdrag van het Hof, bepaalt dat een staat om ad hoc jurisdictie kan vragen voor een specifieke zaak. De Palestijnse minister van Justitie Ali Khashan heeft hiertoe op 21 januari een verzoek ingediend. Hoofdaanklager Luis Moreno-Ocampo onderzoekt sindsdien of hij die jurisdictie kan en zal aanvaarden.

De kansen daarop zijn zeer klein, denken specialisten. Het Strafhof kan alleen samenwerken met staten, en zal moeten bepalen of het de Palestijnse Gebieden als staat beschouwt. „Het volkenrecht stelt als eisen dat een staat over eigen grondgebied beschikt, en een eigen bevolking en een effectief bestuur heeft”, zegt de Amsterdamse hoogleraar Internationaal Strafprocesrecht Göran Sluiter. „Maar in de internationale gemeenschap tel je pas echt mee als andere landen je erkennen.”

„Hoe stel je vast wat het Palestijnse grondgebied is en, als je dat eenmaal hebt gedaan, wie de Palestijnse onderdanen zijn?”, zegt Menno Kamminga, hoogleraar Internationaal Recht in Maastricht. „Dat is onduidelijk. In het licht van al deze onzekerheden vind ik niet dat er een Palestijnse staat is.”

„Als je het staatsbegrip soepel zou hanteren, kan het Strafhof worden gebruikt als een instrument in politieke geschillen”, denkt Sluiter. „Israël en de VS zouden dat als een bevestiging zien van hun bange vermoedens dat het Strafhof politiek kan worden ingezet.” En aangezien het Hof nog altijd hoopt dat beide landen het Statuut zullen ratificeren, „zal het wel rekening houden met die gevoelens”, aldus Sluiter.

Toch is vervolging mogelijk, zegt de Israëlische mensenrechtenadvocaat Michael Sfard, gespecialiseerd in het internationaal recht. „Mijn vakgebied is in beweging. Steeds vaker zie je dat staten die niet willen of kunnen meewerken aan de berechting van onderdanen die oorlogsmisdaden hebben gepleegd, internationaal vervolgd worden.”

Volgens Sfard kan het Strafhof individuen met een dubbele nationaliteit vervolgen, als die tweede nationaliteit van een land is dat wel meewerkt met het Hof. Ocampo onderzoekt nu of hij een Israëlische officier met een Zuid-Afrikaans paspoort kan vervolgen. „Dat kan een omweg zijn om toch iemand te berechten. Maar het probleem voor het Strafhof is nu vooral politiek van aard.”

De grootste kans op internationale vervolging ligt buiten het Strafhof, zegt professor Kamminga. Justitie in Groot-Brittanië en Spanje stelden onderzoeken in naar mogelijke Israëlische oorlogsmisdaden van vóór de Gaza-oorlog. Spanje is inmiddels gestopt met het onderzoek, maar maandag nog zegde vicepremier Yaalon een reis naar Londen af uit angst voor arrestatie. In Nederland hangt een mogelijke vervolging van oud-minister Ami Ayalon in de lucht, omdat hij als hoofd van de geheime dienst verantwoordelijk zou zijn geweest voor de marteling van een Palestijn.

Kamminga: „Sommige misdrijven zijn zo ernstig dat ze een bedreiging van de internationale rechtsorde vormen en daarom overal ter wereld aangepakt mogen worden.”

„Universele jurisdictie blijft een paardenmiddel”, vindt de hoogleraar. „Er zijn altijd problemen met het verzamelen van bewijs in een ander land, en er is een risico op politieke conflicten. Bovendien is het voor de slachtoffers beter om strafzaken te voeren op de plaats van het misdrijf. Israël heeft een heel goed ontwikkeld rechtssysteem. Daar zou het moeten gebeuren. Dat heet de koninklijke weg bewandelen.”

Meer over het Internationale Strafhof op nrc.nl/strafhof