Met weemoed denk ik aan de leeszaal

Ik wil graag Frits Abrahams hartelijk danken voor zijn column (Achterpagina, 5 oktober). Deze is mij uit het hart gegrepen. Lang geleden was een bezoek aan de bibliotheek een feest van geur en kleur van boeken, het zou de stemming bepalen van de week die komen zou. Van het neuzen langs de kasten kon je gelukkig worden. Ik heb er mijn beroep van gemaakt. Maar ook heb ik gezien hoe de sfeer veranderde: de manager verscheen, de liefde verdween. Een manager zoekt het publiek. Waar je vroeger gesprekken over literatuur kon waarnemen, zie je nu tafels vol computers staan waar mensen mee communiceren. Mijn vak werd uitgehold met vragen als: ”Waar is het kopieerapparaat? Waar zijn de toiletten? Heeft u een blaadje en een pen?”

Ik was als bibliothecaresse vaak bezig met het resetten van apparatuur, het opruimen van troep die de klanten achterlieten en het werd zo een geestdodende bezigheid. Het vak waar ik van had gehouden, dat mij waardigheid en aardigheid verschafte, was verdwaald tussen een winkelend publiek. Ik heb nog één familielid die spreekt over `de leeszaal`. Een woord dat ik nog steeds liever hoor dan het leutige woord `bieb`.