Met lef en geld graast China wereld af naar grondstoffen

China heeft zijn masker laten vallen. In de zoektocht naar grondstoffen, olie en gas voorop, telt geen behoedzaamheid meer. Als een supermacht jaagt het land zijn eigen belangen na.

Er is in 60 jaar een hele nieuwe wereld in China ontstaan/ de landbouw bereikt een nieuwe climax/ overal nieuwe huizen, wegen, spoorlijnen, vliegvelden en havens/ onze staalsector groeide, net als kolen en olie/ meer olie/ meer gas/ meer olie/ meer kolen/ meer olie/ meer olie......

Geef filmregisseur Zhang Yimou, bekend van de openingsceremonie van de Olympische Spelen, duizend acteurs en de beste klassieke zangers, en een propagandafeest van de Chinese Communistische Partij wordt een opera. Prozaïsche teksten over de economie klinken opeens als aria’s uit Turandot, de opera over een Pekingse prinses van Puccini.

Op het moment dat sopraan Li Ruoning tijdens het gala op het Tienanmenplein bij meer olie/meer kolen/meer olie de hoge C bereikt, verschijnen op het televisiescherm beelden van de nieuwe oliehavens en opslagtanks in Dalian.

Vervolgens barst het vuurwerk ter afsluiting van de 60ste verjaardag van de Volksrepubliek China los en maken de hoogste leiders een ‘spontaan’ dansje op het plein.

En alsof Zhangs hand zelfs tot in Londen reikt, verschijnt kort daarna op de tekstbalk van BBC World het bericht dat de Chinese maatschappij Sinochem eigenaar is geworden van het Britse Emerald Energy en daarmee van olievelden in Syrië en Colombia. Meer olie/meer gas/meer olie.

Geen week gaat voorbij of Chinese ondernemingen schaffen in Argentinië, Australië, Kazachstan, Iran, Irak, Nigeria en Venezuela energiebedrijven aan of kondigen overnameplannen aan. Volgens de Financial Times is het afgelopen half jaar voor 50 miljard dollar aan oliedeals gesloten. Daarnaast zijn er voor 45 miljard dollar aan ‘leningen-voor-olie’ verstrekt. Persbureau Thompson Reuters heeft vastgesteld dat er in juni, juli en augustus per maand ongeveer 6,5 miljard dollar is uitgegeven aan overnames, deelnamen en langlopende contracten. In heel 2008 was dat nog geen 10,5 miljard dollar.

De Chinese zoektocht naar olie (en andere grondstoffen) is sinds 2002 een bekend gegeven, maar de laatste maanden is China als gevolg van de lage olieprijzen en de economische crisis overgeschakeld naar de hoogste versnelling.

Nieuw is volgens Li Boqiang van het Chinese Centrum voor Energie-economie in Xiamen dat Chinese energiebedrijven „met nieuwe intensiteit en vooral meer durf en kapitaal” op zoek zijn naar energiebedrijven, voorraden en technologie. „De Chinese strategie kwam in 2005 in grote moeilijkheden toen het Amerikaanse Congres de overname van het Amerikaanse Unocal door China National Offshore Oil Company verbood. Het politieke verzet en de anti-Chinese emoties waren niet goed beoordeeld. In de jaren daarna zijn de Chinese bedrijven veel voorzichtiger te werk gegaan. Ze wilden onzichtbaar blijven, maar dat is nu aan het veranderen”, zegt onderzoeker Li, wiens centrum is verbonden aan de Universiteit van Xiamen.

Als voorbeelden noemt hij de grote investeringen in Kazachstan, de overname van het Canadese Addax (West-Afrika, Koerdisch Irak) en het bod ter waarde van 30 tot 50 miljard dollar op Nigeriaanse off shore-olievelden. Daar kan nog het recente bod van 6 miljard op Tullow Oil in Oeganda aan toegevoegd worden. „Het is helemaal niet zeker of deze pogingen ook zullen slagen. Maar er worden duidelijk grotere risico’s genomen. Het trauma van het Unocal-debacle is verwerkt”, zegt Li.

De dorst naar olie is te groot om lang stil te blijven staan bij een gevoelige nederlaag. Energiezekerheid, of in Chinese optiek energieonzekerheid, baart Chinese leiders zorgen, omdat de behoefte sneller groeit dan in welk ander land dan ook en China geen grote olievoorraden heeft of controleert.

Op het ogenblik verbruikt China per dag ruim acht miljoen vaten olie, 10 procent van de mondiale consumptie en het dubbele van tien jaar geleden; en in heel 2008 80 miljard kubieke meter gas (67,3 miljard in 2007). Olie en gasverbruik zullen in de komende tien jaar met 150 procent stijgen als gevolg van de groei van de zware industrie en het autobezit, aldus Li Boqiang.

In 2020 zal China ongeveer 75 procent van de benodigde olie moeten importeren. Nu wordt ongeveer de helft van de olieconsumptie gedekt door import uit Afrika (32 procent), Latijns-Amerika (5 procent), Rusland (11 procent) en het Midden-Oosten (44 procent). „We moeten nu kopen wat we kunnen kopen, want het Internationaal Energieagentschap in Parijs zegt ook dat we over tien jaar midden in een wereldwijde energiecrisis terechtkomen. Energiezekerheid houdt in dat wij niet alleen maar afhankelijk mogen zijn van wat de wereldmarkt op een gegeven dag biedt, maar dat we ook bedrijven en voorraden moeten controleren. We moeten niet alleen kopers zijn, maar ook eigenaren”, legt Li uit.

De marktomstandigheden zijn voor de Chinese energiebedrijven op het eerste gezicht nog nooit zo gunstig geweest. De prijzen van ruwe olie zijn gezakt van een piek van bijna 150 dollar in 2008 naar 69,77 dollar voor Brent gisteren en de economische crisis heeft buitenlandse regeringen en bedrijven een stuk ontvankelijker gemaakt voor Chinese biedingen.

„De hoge olieprijzen waren in 2008 een beletsel om erg actief te zijn. Nu ze een stuk redelijker zijn geworden is de tijd om in actie te komen aangebroken. Er is in zekere zin ook sprake van een inhaalmanoeuvre na een betrekkelijk rustige periode. Ook in politiek opzicht is de tijd gunstiger. Er is minder weerstand”, zegt professor Zha Daojiong, die energie-economie doceert aan de Universiteit van Peking.

De vier grote Chinese energiemaatschappijen – CNOOC, Sinopec, CNPC en Sinochem – hebben van de Chinese autoriteiten opdracht gekregen alle kansen die door de crisis zijn ontstaan te gebruiken. Dat geldt niet alleen voor de olie- en gasmarkten, maar voor alle grondstoffensectoren.

De beschikbaarheid van kapitaal vormt geen probleem. Bankiers hebben van president Hu Jintao persoonlijk te horen gekregen dat het hun „patriottische taak” is de Chinese energiebedrijven op hun buitenlandse queeste te steunen.

Na een periode van herbezinning en personele reorganisaties is ook het Chinese staatsfonds CIC (China Investment Corporation, 200 miljard dollar) weer in actie gekomen. Het CIC, dat veel financieel talent in New York heeft aangetrokken, beperkt zich niet alleen tot de financiële sector, maar stapt, zoals in Kazachstan, ook in energieprojecten.

Hoewel alle Chinese energiebedrijven staatsondernemingen zijn en de toplieden de rang van minister hebben, werken zij verschillend en los van elkaar. „Het lijkt alsof het om een goed geoefend orkest gaat onder leiding van een dirigent, maar dat is niet zo”, zegt professor Zha, tevens energieadviseur van de Chinese staatsraad, zeg maar regering. Het beursgenoteerde CNOOC, dat qua stijl en werkwijze nog het meest weg heeft van een westerse onderneming, heeft een voorkeur voor joint ventures en politiek riskante investeringen in particuliere bedrijven. Het veel agressievere CNPC koopt liever hele bedrijven op, heeft een voorkeur voor raffinaderijen en doet zaken met niet al te prettige regimes.

„Er wordt gewerkt met een menu aan constructies. Het ene bedrijf bouwt infrastructuur in ruil voor olie, andere bedrijven hebben een voorkeur voor leningen in ruil voor olie. Het maakt niet zolang er maar langetermijncontracten gesloten kunnen worden. De onderlinge concurrentie tussen de Chinese bedrijven is groot”, legt Zha uit.

Daar zijn talrijke voorbeelden van. Het olie- en gasconcern Repsol-YPF, het grootste bedrijf van Argentinië, werd eerder deze zomer benaderd door maar liefst drie Chinese bedrijven die van elkaar niet wisten dat zij in de markt waren. Er zijn nu twee overgebleven. CNPC wil Repsol-YPF, dat zeer matig presteert, helemaal overnemen, CNOOC wil een minderheidsaandeel. Het gaat om bedragen van 13,5 tot 17 miljard dollar. Hoe de strijd uitpakt is nog niet duidelijk en zal uiteindelijk in Peking worden beslist, want er zijn geen andere kandidaat-kopers.

Vrijwel zeker zijn daar premier Wen Jiabao en president Hu Jintao zelf bij betrokken. „Alle internationale deals boven de 1 miljoen dollar moeten goedgekeurd worden door premier en president, vertelt dr Li, „en zeker in het geval van Repsol-YSF, want het gaat om het grootste bedrijf van Argentinië en de vraag is of de Amerikanen dat zullen toestaan”. Energiezekerheid is een hoge staatszaak, een buitenlandspolitieke prioriteit.

Repsol-YSF wordt door Li als een voorbeeld genoemd dat geld geen rol speelt. „Het ziet ernaar uit dat we te veel voor dat bedrijf gaan betalen, maar het is nu eenmaal een feit dat er niet veel van dit soort ondernemingen te koop zijn”, meent hij.

Ook politieke tegenstand en tegenslagen kunnen de Chinese koopdrift nauwelijks meer temperen. In Australië werd een investering in Rio Tinto geblokkeerd, maar werden vervolgens gascontracten ter waarde van 42 miljard dollar gesloten.

Maar niet alles gaat vlekkeloos. In Afrika stuitten de Chinezen in toenemende mate op moeilijkheden. De Angolese regering blokkeerde in september deals met CNOOC en Sinopec omdat de band met Peking „te knellend” wordt bevonden. Een Angolese krant vergeleek de Chinezen met „mieren en sprinkhanen”die alleen kale vlaktes achterlaten. Soortgelijke problemen ondervonden de Chinezen in Algerije, Libie en Nigeria.

Vijf jaar geleden ontving Afrika de Chinezen met open armen, nu komen er meldingen van demonstraties tegen arbeidsomstandigheden (Angola) of tegen vermeende Chinese ongevoeligheid voor islamistische rituelen (Algerije). Ook de Chinese praktijk om het aantal lokale werknemers tot een minimum te beperken en personeel uit China in te vliegen, wekt weerstand.

Professor Zha: „Dat zijn relatief kleine problemen. Onze bedrijven moeten daarvan leren, en dat doen zij ook zeker. Er zijn nu 800 Chinese bedrijven actief in de Afrikaanse energiesector. Tegenover tegenslagen staan successen, zoals in Zambia waar we de kopermijnen gaan exploiteren. Ik ben pas in Angola geweest en heb daar niet gemerkt dat we daar niet meer welkom zijn.”

Afrika en Latijns-Amerika worden in Peking beschouwd als betrekkelijk makkelijk toegankelijke wingewesten. In het Midden-Oosten stelt China zich prudenter op, voornamelijk omdat het Midden-Oosten in Chinese ogen van Amerika is. Goede relaties met de VS hebben prioriteit, maar tegelijkertijd zijn Chinese energiebedrijven met name in Iran en Irak actiever. Grote overnames zijn praktisch onmogelijk door de dominante rol van westerse giganten, maar in Irak en Iran zijn kansen ontstaan. Via het Canadese Addax krijgt Sinopec toegang tot de Koerdische velden en CNPC verhoogde net zijn aandeel in de olievelden bij Basra.

Politiek het gevoeligst zijn de investeringen in Iran, waarmee China hechte banden onderhoudt. China is Irans op één na grootste exportbestemming voor olie. Geraffineerde olieproducten gaan terug naar Iran, waar de bevolking en masse rijdt op Chinese scooters en motoren. Deze zomer zijn olie- en gascontracten hernieuwd en is overeengekomen dat CPNC eigenaar wordt van het Zuidelijk Azadegan-veld dat op Chinese kosten ontwikkeld zal worden. Het is voor het eerst dat een Chinees bedrijf in Iran volledige zeggenschap krijgt over een olieveld.

Li: „Dit zijn contracten die eerst op het hoogste regeringsniveau tot stand komen. Dat is een beproefde en stabiele werkwijze. China zal daarom niet snel meewerken aan harde sancties tegen Iran. De druk van de VS mag nog zo groot worden, ik verwacht niet dat China de relatie met Iran op het spel zal zetten.”

De voormalige Chinese gezant voor het Midden-Oosten, Sun Bigan, formuleert het scherper. De banden met olieleverancier Iran moeten juist nu nog inniger worden, want Iran speelt op het gebied van „energiezekerheid van China” een cruciale rol, schreef de hoge diplomaat in het septembernummer van Africa&Asia Review, een blad van een Chinese regeringsdenktank in Peking. Iran is, zo voegde hij eraan toe, „essentieel voor de economische ontwikkeling van China”. Hij vermoedt dat de VS ook „de oliekranen van Iran willen controleren”. Confrontaties over energie zijn daarom „onvermijdelijk”.

Exact dezelfde woorden gebruikte admiraal Wu Shengli in april van dit jaar toen hij aankondigde dat de Chinese marine vliegdekschepen gaat bouwen. De admiraal, de hoogste commandant van de Chinese volksmarine, en zijn collega van de luchtmacht stonden tijdens de militaire parade op het Tienanmenplein vlak achter president Hu Jintao. Een teken dat de marine en de luchtmacht in de komende jaren in de strijd om budgetten voorrang krijgen.

Reuters onthulde daags voor de 60ste verjaardag van de Volksrepubliek dat de landmacht (2,3 miljoen soldaten) zal worden ingekrompen met ongeveer eenderde, een vermindering van 700.000 soldaten. De marine, met deels verouderde schepen, zal vernieuwd worden met onderzeeërs en fregatten. De luchtmacht wordt uitgebreid met langeafstandsbommenwerpers en gevechtsvliegtuigen in een tempo dat in Washington op zorgelijke toon wordt besproken.

Li: „Ik ben geen militaire expert, maar het lijken mij logische stappen om onze aanvoerroutes, de zeewegen, en onze energiebelangen te kunnen verdedigen als dat noodzakelijk is. Ik behoor niet tot degenen die de VS als een natuurlijke vijand beschouwen, maar het is verstandig om ook te garanderen dat onze schepen over ‘harmonieuze zeeën’ varen.”

Li heeft in dat verband een kleine suggestie voor regisseur Zhang. Meer olie/meer gas/meer kolen zong sopraan Li Ruoning. Daar moet bij het volgende communistische jubileum, in 2029, aan toegevoegd worden: meer industrie/meer auto’s/ meer fregatten/meer vliegdekschepen/meer onderzeeërs/minder milieu/minder grondstoffen.