Licht in de kwikkwestie 5

De afgelopen periode las ik diverse ingezonden brieven over spaarlampen, naar aanleiding van de uitfasering van inefficiënte lampen, ook wel het `gloeilampenverbod` genoemd. De discussie wordt niet altijd op feiten gebaseerd en het lijkt daardoor een discussie van `gelovigen` en `ongelovigen` die vóór of tegen de EU-regels zijn. Zo gaat dhr. Kouffeld (ingezonden brief op 19 september) ervan uit dat zelfs koelkastlampjes moeten worden vervangen door spaarlampen. De EU-regels maken echter uitzondering voor gerichte lampen (`spots`) en `lampen met bijzondere doeleinden`. Daaronder kunnen ook koelkast- en ovenlampjes vallen, waarvoor spaarlampen inderdaad zeer ongeschikt zouden zijn. Dhr. Feiner baseert zijn redenering (brievenrubriek 26 september) op de aanname dat een spaarlamp slechts zo`n 2.500 keer aan- en uitgeschakeld kan worden.Uit de metingen die de Consumentenbond uitvoert, blijkt dat de eigenschappen van spaarlampen zeer sterk uiteenlopen. Er zijn spaarlampen die meer dan 20.000 keer aan- en uit geschakeld kunnen worden en die meer dan 8.000 uur kunnen branden. Het rendement van dergelijke goede lampen is 5 keer hoger dan van gloeilampen. Gedurende de levensduur loopt dat wel iets terug, maar is na 8.000 uur nog steeds meer dan 4 keer hoger. Zelfs zonder complete levenscyclusanalyse, waarin ook productie en afdanken worden meegenomen, is duidelijk dat met zo`n goede spaarlamp energie wordt bespaard: Een vergelijkbare gloeilamp van 60 W is in 8.000 uur al zo`n 7 keer vervangen en heeft zo`n 380 kWh meer stroom verbruikt, wat tegen het huidige tarief bijna 88 meer kost. Niet alle spaarlampen zijn zo goed, maar investeren in een goede lamp loont.

Wetenschapsbijlage 19-09 en 03-10-09