In 't geheim gefluorideerd

Dennis Edeler – De drinkwaterfluoridering. Tandartsen, staat en volksgezondheid in Nederland, 1946 – 1976 – Houten, Bohn Stafleu Van Loghum, 374 blz. Universiteit van Amsterdam, 23 september 2009. Promotores: Prof.dr. M.A.J. Eijkman, Prof.dr. E.S. Houwaart

Vijftig jaar geleden waren er in Nederland op een bevolking van elf miljoen drieënhalf miljoen mensen met een kunstgebit. Die waren niet allemaal oud – er waren toen zo’n 750.000 mensen boven de 65 jaar – integendeel zelfs. Een groot deel was jong en liet zich uit voorzorg de tanden trekken. In sommige delen van ons land was het kunstgebit favoriet als huwelijksgeschenk.

Je kunt het je bijna niet meer voorstellen en ik ook toen trouwens niet, want ik zat elke woensdag bij de tandarts om mijn onder- en bovenbeugel te laten bijstellen. In mijn herinnering was het uren wachten in een overvolle wachtkamer. Dat klopt wel, in het proefschrift van Dennis Edeler is de tandheelkunde van de jaren vijftig een noodgebied. Veel te weinig tandartsen en veel te veel slecht of niet onderhouden gebitten, geteisterd door cariës. Tandenpoetsen was in veel gezinnen nog geen regel, over te veel zoetigheid maakte men zich nog niet erg druk en de angst voor de boor van de tandarts was groot. De tandheelkunde zelf was ook nog maar sinds kort een academisch vak geworden en het bezoek aan de tandarts werd pas met de invoering van het Ziekenfondsbesluit van 1941 deel van het verstrekkingenpakket.

Bij de tandartsen en in de sociale geneeskunde maakte men zich wel grote zorgen over de staat van de Nederlandse gebitten. Dat werd ook echt gezien als een public health vraagstuk, een gezondheidsprobleem dat met collectieve maatregelen moest worden opgelost. In Amerika was min of meer bij toeval – zo gaat dat vaak in de gezondheidszorg - ontdekt dat in gebieden waar van nature veel fluoride in het drinkwater zat, de gebitten minder gaatjes vertoonden. Wat men eerst zag, was dat de gebitten donkere vlekken en strepen vertoonden. In drinkwater met heel weinig fluoride bleek toevoeging van een kleine extra dosis precies goed te werken. Geen lelijke verkleuringen meer en zeker de helft minder gaatjes.

Dat bleef al kort na de oorlog ook in Nederland niet onopgemerkt. Voor weinig geld zou in een arm land met weinig tandartsen zo heel gemakkelijk een echte verbetering van de volksgezondheid bereikt kunnen worden. Gewoon een heel klein beetje fluoride in het drinkwater. Er werd een commissie ingesteld die al snel met het advies kwam dat ook maar te doen en wel ‘onafhankelijk van medewerking van de bevolking’. Een langlopend experiment waarin een gefluorideerde (Tiel) en een niet-gefluorideerde (Culemborg) gemeente met elkaar zouden worden vergeleken, zou definitief moeten aantonen hoe werkzaam fluoride was. Dat onderzoek kwam er ook en heeft vijftien jaar geduurd, maar al lang voor het eindrapport waren veel gemeenten ertoe overgegaan het drinkwater te fluorideren.

Dat heeft niet lang geduurd en nu wordt er in Nederland zelfs helemaal geen drinkwater meer gefluorideerd. De overgang van bijna stiekeme invoering, aanvankelijk zelfs echt onder ‘uiterste geheimhouding’, naar een maatschappelijk, juridisch en politiek afgedwongen stopzetting daarvan is het spannende centrale thema van het proefschrift van Dennis Edeler. Een sociaal-historisch proefschrift dat in het verloop van de fluoridediscussie bijna exemplarisch de modernisering van de Nederlandse samenleving laat zien. De paternalistische houding van de deskundige, het vertrouwen op het medisch gezag en op de overtuigingskracht van het wetenschappelijke bewijs, de vrijwel volledige zekerheid van de onschadelijkheid van de toevoeging van fluoride aan het drinkwaterveranderingen heeft het uiteindelijk moeten afleggen tegen valse bewijzen (fluor veroorzaakt kanker), maar vooral toch tegen de groeiende onwil om gedwongen te moeten drinken waar men niet om gevraagd heeft. Het besluit van de regering om de fluoridering anders dan in Ierland, waar het drinkwater nog wel gefluorideerd is, niet nationaal te regelen, maar over te laten aan de gemeente, liet overal in het land de discussie over de voors en tegens opnieuw oplaaien. Naarmate de tijd verstreek werd het tegengeluid sterker en emotioneler. Er ontstonden overal comité’s, actiegroepen en verenigingen die tegen de fluoridering ten strijde trokken.

De regering dacht met een simpele wijziging van de Waterleidingwet gemeenten de mogelijkheid te geven zelf over de fluoridering een besluit te nemen. De Hoge Raad stak daar in 1973 een stokje voor door te stellen dat het hier om een ‘ingrijpende maatregel’ gaat die om een afzonderlijke wettelijke regeling vraagt. Minister Vorrink heeft nog een wat halfslachtige poging gedaan tot zo’n regeling te komen, maar het verzet in de Kamer en daarbuiten was zo algemeen, dat het kabinet het er maar niet op aan heeft laten komen. In 1976 werd het voorstel ingetrokken en dat luidde het einde van de fluoridering in. Los van alle andere overwegingen voor en tegen fluoridering groeide toch steeds meer de overtuiging dat het drinkwater niet als vehikel gebruikt mocht worden voor het bereiken van enig ander doel dan inderdaad het beschikbaar stellen en houden van schoon drinkwater. Dat speelde eens te meer omdat er voor de gebruiker geen reëel alternatief is. Er is overal maar één waterleidingsysteem en wie geen gefluorideerd drinkwater zou willen gebruiken, zou aangewezen zijn op duur bronwater (toen nog lang niet zo populair als nu) of op enkele publieke tappunten. Die zijn er ook geweest.

De fluorideringsdiscussie heeft uiteindelijk zelfs geleid tot een wijziging van de grondwet, waarin in de jaren tachtig het principe van de onaantastbaarheid van de persoon en het lichaam werd vastgelegd. Wie de door Dennis Edeler als historicus buitengewoon grondig onderzochte en zeer gedetailleerd beschreven geschiedenis van de fluoridering leest, herkent daarin veel van de processen en positiebepalingen, van de voortdurende spanning tussen gevoel en bewijs, tussen deskundigen en betrokkenen, tussen overheid en burgers, die sindsdien het maatschappelijk debat bepaald hebben. De angst voor een verhoogd risico op kanker in de nabijheid van hoogspanningskabels, het verzet tegen de ondergrondse opslag van CO2, de voorkeur voor homeopathie en de strijd tegen kwakzalverij, het zijn maar een paar van de meest recente voorbeelden. Heel vaak is het de wetenschap die het onderspit delft en je ziet ook altijd weer dat de echte wetenschapper dat maar niet kan begrijpen en nog minder kan navoelen.

Dit is een heel leesbaar proefschrift dat veel meer biedt dan de titel suggereert. Het is ook het laatste proefschrift dat begeleid is door Michiel Eijkman, die in deze bijlage vaak en veel over ontwikkelingen op het gebied van tandheelkunde heeft geschreven. Hij wordt door de promovendus ook allerhartelijkst en twee bladzijden lang bedankt voor zijn hulp. Aardig en natuurlijk terecht, maar ooit was het verboden de naam van de promotor zelfs maar in het dankwoord te noemen. Dat was overdreven, maar wie zijn boek begint met in totaal dertien bladzijden zoete woorden maakt zich wel schuldig aan dankbederf. Over zoetigheid gesproken tenslotte nog dit: het gaat ook zonder fluoridering inmiddels veel beter met de Nederlandse gebitten. Betere mondhygiëne, betere (fluoride)tandpasta, regelmatiger tandartsenbezoek en minder suiker hebben er voor gezorgd dat tandbederf niet meer de volksziekte is die het vijftig jaar geleden was.