'In nieuwe muziek moet je de wereld horen'

Micha Hamel (39) is dichter, componist en dirigent. Hij stelde de laatste editie van de Muziekdagen samen. „Ik geloof niet in een typisch Nederlandse smaak.”

Micha HAMEL (1970) Nederlands dirigent, componist & schrijver. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==NederMicha Hamel: "Wie gaat er straks componisten vragen zich eens van een andere kant te laten zien?" (Foto NRC Handelsblad, Vincent Mentzel) land. Hilversum, 7 october 2009 Mentzel, Vincent

In het literair tijdschrift De Revisor geeft componist/dirigent/dichter Micha Hamel zijn eigen beroepsgroep er flink van langs. „De muziek moet aansluiting maken met deze tijd, en niet andersom”, schrijft hij. „Pas als wij de muziek zodanig kunnen veranderen dat zij werkelijk onze tijd representeert, dan zullen al die actieve, nieuwsgierige burgers de weg naar de concertzaal wel weten te vinden.”

De Nederlandse Muziekdagen waren dit en vorig jaar uw podium voor vernieuwing. Kwamen daar wél mensen naartoe?

„Ik was bezig de Muziekdagen tot het belangrijkste podium voor premières van Nederlandse componisten te maken. Dat interesseert me zeer, dus breng ik er veel enthousiasme voor op en dat slaat weer aan. Dus ja: kaartjes worden goed verkocht.”

Als dichtend componist koos u als thema muziek en poëzie. Mij verbaast het altijd dat er weinig Nederlandse poëzie door componisten wordt getoonzet. Waarom, denkt u?

„Beide sectoren lijden aan hetzelfde probleem: ze zijn in zichzelf gekeerd. Daarom heb ik dichters aan componisten gekoppeld. Componist Florian Maier en dichteres Saskia de Jong, bijvoorbeeld, delen een soort verfijnde mix van humor met dreigende somberheid. Maar soms werkte een koppelpoging ook niet. Peter Adriaansz en Nachoem Wijnberg kwamen tot niets. En soms was het doodsimpel; Bob Zimmerman wilde al jaren eens werken met Ramsey Nasr. Het geheel is heel veelvormig geworden. Een brede doorsnee van wat poëzie en muziek samen kunnen zijn.”

Is het daarom zo erg dat de Muziekdagen worden opgeheven?

„Het gaat mij in wezen niet zozeer om dit festival, maar om de vraag: wie is er voor onze componisten? Wie gaat er straks, zoals ik deed, componisten vragen zich eens van een andere kant te laten zien?”

Plan is een fusie met het festival Toonzetters, dat de beste nieuwe muziek van het jaar laat horen.

„Terugblikken is goed, maar waarop? Met het verdwijnen van de Muziekdagen, verdwijnt ook het belangrijkste podium voor nieuwe, experimentele stukken voor flexibele bezettingen. Onder de beste stukken van 2008 waren niet voor niets twee composities die in opdracht van de Muziekdagen zijn ontstaan. Een festival is er voor unieke projecten; de projecten die normaal niet ontstaan omdat er geen plek voor is, geen geld en geen publiek. Zo’n plek moet er gewoon zijn. Een podium waar nieuwe muziek op grotere schaal uit haar kaders kan breken.”

Wat is er mis met die kaders?

„Het is de taak van een componist in muziek nieuwe vergezichten te scheppen. Dat lukt niet als je het zoveelste pianoconcert gaat schrijven – maar dat is wél wat orkesten vragen als ze een opdracht verlenen. Zo’n concert kan best mooi worden, maar niet zo mooi als dat van Ravel. En dat is er al. Elk genre heeft op een gegeven moment zijn maximale zeggingskracht bereikt. Dan moet je er niet meer mee verder willen.”

Maar de praktijk verlangt dat wel?

„Ja, als een orkest mij vraagt om een nieuw stuk, staan de bezetting en het aantal repetities vast. Terwijl ik misschien wel muziek voor dertig in plaats van honderd musici wil schrijven, die geen vier maar tien repetities vereist. Als je muziek wilt ontwikkelen, moet je ook organisatorisch flexibel zijn. Dáárom zijn er festivals nodig.”

Maar ensembles nemen toch ook wel initiatieven voor nieuw en ander repertoire?

„Zeker, kleinschalige plekken voor repertoireontwikkeling zijn er. Denk aan het Nieuwe Ensemble, het Ensemble Klang, het Utrechts Componisten Collectief, De Ereprijs – noem maar op. Dat houdt ook niet op. Maar de schaal van het symfonieorkest is een ander schaakbord om op te spelen. En die symfonische cultuur is nog steeds een flinke ader in onze muziekcultuur, dus als nieuwe initiatieven daar geen voet aan de grond krijgen, is dat wel erg.”

Het Holland Festival en de ZaterdagMatinee zijn er ook nog.

„Oké, maar daar zie je toch dat de componisten die worden gevraagd meer ‘uitontwikkeld’ zijn. De Muziekdagen vragen óók jonge componisten om nieuwe wegen te zoeken. Wij willen ontwikkeling veroorzaken, en zijn – waren – in die zin experimenteler.”

Ik hoorde op de radio pas uw ‘Triptyque’ op tekst van Apollinaire; uitgesproken welluidende muziek. Veel nieuwe Nederlandse muziek is nogal hoekig, gaf u in die uitzending toe. Waarom is dat? Denkt u dat de waardering van Nederlandse muziek daaraan gekoppeld is?

„Ik geloof niet in een typisch Nederlandse smaak. Mensen willen altijd prachtige muziek maken én horen. Ik, als componist, probeer mijn muziek dus zo mooi mogelijk te maken en ook zo perfect mogelijk te instrumenteren. Ik vind dat een sport. Maar het opleidingsniveau onder componisten hier is nog steeds te laag. Ideeën te over, maar wat ze daar vervolgens technisch mee kunnen is niet zo geweldig.

„Met wat ik in De Revisor heb geschreven, hoop ik het debat over wat ‘eigentijdse muziek’ betekent, aan te zwengelen. Statistisch zijn er steeds meer mensen. En dus ook steeds meer intelligente, geëngageerde en leuke mensen. Maar die komen niet luisteren. Dat ligt dan dus ook aan de muziek. Ik vind dat we muziek moeten schrijven die veel meer doet met wereldmuziek, jazz en pop, en veel meer probeert om de wereld waarin wij leven hoorbaar te maken.”

U deed dat zelf vorig jaar in uw tragische operette ‘Snow White’ voor de Nationale Reisopera – in deze krant omschreven als ‘een achtbaanrit door muzikale tijden en stijlen’.

„Snow White had veel succes. Ik denk omdat ik heb gestreefd naar een opera die het genre als zodanig uit zijn hol zou sleuren. Componisten zijn te weinig bezig genres op te schudden. Dat is het grote nadeel van een sector die zichzelf in stand houdt op basis van subsidiëring en opdrachtgevers; nadenken over de luisteraars die ermee worden bereikt, is voor componisten vaak niet nodig. Maar kan die muziek dan nog hedendaags genoemd worden? Ik vind van niet. Goed, je hoort erin dat die muziek wortelt in een stabiel politiek en sociaal klimaat – anders had ze nooit kunnen ontstaan. Maar met de bewegende wereld om ons heen heeft zij niks te maken. En publiek trekt ze dus ook niet.”

Nederlandse Muziekdagen met o.a. concerten en debat 10 en 11 okt, Muziekgebouw aan het IJ, A’dam. Radio 4, o.a. 10/10, 19u (live). nederlandsemuziekdagen.nl