'Ik was een van de vijftig kinderen'

Jeanette van de Lindt-Jabaaij (1954) groeide op in Het Posthuis, het internaat waar haar ouders werkten. ‘Het werd al gauw beregezellig.’

‘Werk is bijzaak. Je moet genieten van het leven. Zo denk ik erover. Dat komt door mijn ouders. Die twee verloren zich zo in hun werk dat ze kapot gingen toen het afgelopen was.

„Mijn vader werkte als ambtenaar bij de PTT toen hij van een collega hoorde over een vacature bij Het Posthuis, een voormalig hotel aan de Westzeedijk dat in 1960 door de PTT was ingericht als internaat. In Rotterdam was een groot gebrek aan postbestellers en loketbeambten, en de PTT zocht door heel Nederland naar geschikte jongens om intern op te leiden en in dienst te nemen. Voor die jongens was het een mooie kans om in de stad te kunnen wonen. Het Posthuis werd al gauw beregezellig.

„Mijn ouders en ik begonnen in het souterrain. Ik was zes, en ik weet nog hoe groot ik alles vond: de zalen, de trappen, de tuin… Er was keukenpersoneel en er was een schoonmaakploeg, maar voor de kleinere taken werden de jongens ingeroosterd. Er was er altijd eentje die mij naar school bracht en me weer ophaalde, dat hoorde erbij. Elke dag stond er een ‘grote broer’ voor me op het schoolplein. Klasgenootjes mochten niet altijd met mij mee naar huis, want veel ouders vonden het maar niks, al die jongens bij elkaar.

„Na drie jaar volgde mijn vader de directeur op en verhuisden we naar drie kamers op de eerste etage. Niet dat we die veel van binnen zagen. Een gezin van meer dan vijftig man kost ongelooflijk veel tijd. De discipline was groot, maar het was altijd luidruchtig. Veel stoeien en ongein uithalen. Voor mijn ouders was het werk nooit afgelopen. Mijn vader had een groot natuurlijk gezag; hij was lang, donker, charismatisch. Mijn moeder was minder hartelijk. Als ze je eenmaal mocht, was het goed, maar

ze kon ook hard en sarcastisch zijn.

„Ik wilde niets liever dan bij de club horen. Toen ik nog te klein was om ’s avonds mee te doen met het sjoelen en dammen in de eetzaal, voelde ik me wel eens erg alleen op mijn slaapkamertje. Dan telefoneerde ik naar beneden om mijn moeder te vragen of ze ook kwam. ‘Hè Net, niet zeuren nou’, zei ze dan. Ik was een van de vijftig kinderen, niks meer en niks minder.

„Op de foto ben ik veertien. Een jaar later werd ik een losgeslagen puber, een Beatles- en Deep Purple-meisje dat stickies rookte en op kroegentocht ging – zonder dat mijn ouders het door hadden trouwens, daarvoor was ons huis te vol. Maar hier ben ik nog braaf. De televisie stond tijdelijk bij mij, omdat ik net de ziekte van Pfeiffer had gehad en een paar weken in bed had moeten liggen.

„Vanaf 1970 had de PTT geen personeelstekort meer en kwamen er Egyptenaren in Het Posthuis, in het kader van een uitwisseling. Die mannen konden in het weekend niet naar huis zoals de Nederlandse jongens, dus dat was eindeloos kaarten en koken en rondhangen. Mijn vader kreeg een keer veertig kamelen voor mij aangeboden – een precaire situatie, want hoe sla je dat beleefd af? Gelukkig ontmoette ik kort daarna mijn man.

„Uiteindelijk werd mijn vader ergens op een PTT-kantoor tewerkgesteld. Ik denk dat dat hem genekt heeft. Hij is op zijn 51ste overleden aan een hartaanval. Mijn moeder was toen in één klap haar man, haar huis en haar werk kwijt. Ze werd depressief.

„Via internet vind ik nu veel oud-Posthuis-jongens terug. Aan sommigen van hen heb ik me enorm gehecht. Ik heb er misschien met drie weleens een zoentje gewisseld, maar belangrijker waren de zorgzame types, de zachtaardige jongens die op me letten. Bij hen was ik veilig.”

Geroezemoes van buiten: ze woont pal boven een winkelstraat. Haar man komt later thuis vanavond. Ze schenkt zichzelf een glaasje in. Op een laptop werkt ze aan haar kookblog, als ze er zin in heeft.

Heeft u ook een interessante familiefoto?Mail naar weekblad@nrc.nl