Geen immigrant verblijft hier tegen heug en meug

Anders dan in Amerika waar afstammelingen van zwarte slaven wonen, zijn Europese immigranten vrijwillig gekomen. Dat geeft Europa een voorsprong in multiculturele kwesties.

Columnist bij Vrij Nederland en co-presentator van Met het oog op morgen (radio 1).

De belangrijkste les die ik heb geleerd over de ‘multiculturele samenleving’ is mij niet bijgebracht door de overheid, die druk doende is om ons allen – blank, gekleurd, zwart, man, vrouw, christen, jood, moslim, niks – op te voeden tot Goede Burgers, en daar zelfs Handvesten voor wil opstellen. Die les heb ik voor een deel getrokken uit Paul Scheffers essay Het multiculturele drama, dat negen jaar geleden in deze krant verscheen, en dat terecht veel aandacht kreeg, omdat daarin het standaardpraatje werd doorgeprikt als zou Multiculturalisme alleen maar een Verrijking betekenen voor de Nederlandse samenleving. (Scheffer hield het heel egalitair en bluesy op ‘verlies voor allen’, zowel voor de inheemsen als de nieuwkomers)

Maar de schellen vielen mij pas echt van de ogen na een aantal ontmoetingen met A., een jongeman die net z’n eigen winkel is begonnen. Hij werd geboren in Turkije, groeide vanaf zijn twaalfde op in Nederland. En dit was de simpele, maar ook hoopvolle gedachte, die hij mij tussen de bedrijven door vertelde.

Want bedrijvig is A. Geen studiehoofd, met moeite het vmbo afgemaakt, jarenlang gewerkt als vuilnisman (vooral avonddiensten), zodat hij overdag kon helpen in het schoenen- en leeratelier van zijn vader. Daar heeft hij het vak geleerd, maar meer nog: daar heeft hij zich een idee gevormd over de Nederlandse samenleving, waarin hij zich als moslim, allochtoon, een beetje hakkelend Nederlands sprekend, een plaats moest veroveren.

Het begon zo: Ik had een mooie leren tas op de kop getikt in Brussel, een dokterstas uit de jaren vijftig: oogde zo goed als nieuw, maar bleek toch echt een ristsluiting te bezitten die vijftig jaar oud was, en die het eigenlijk meteen al begaf.

Met deze tas ben ik langs veel winkels geweest die gespecialiseerd zijn in lederwaren, ritssluitingen en nog zo wat, maar bij de grote ketens kreeg ik meteen nul op het rekest (‘mijnheer, het is de moeite niet’) en bij reparatiewinkels als de ‘Gouden Schaar’, meestal in Turkse handen, werd mij dat ‘neen’ na tien minuten medegedeeld, wanneer bleek dat deze tas een verkeerde maat had voor de ritsenmachine. Maar via die Turkse connectie kwam ik wel bij A. terecht, ver na de gebruikelijke sluitingstijd (het was 19.30 uur). Hij begroette mij opgewekt, met iets van de buitenlandse overcompensatie die Kees van Kooten zo meesterlijk heeft getypeerd (‘goedenavond, mijnheer, wij zijn blij u hedenavond als klant te mogen begroeten’) en hij begon pas donker te kijken toen hij het tassenprobleem onderzocht. Maar, verzekerde hij mij, hij ging al het mogelijke proberen.

Alleen al die belofte maakte mij lichtvoetig. Ja, ik dacht wel degelijk: ‘Kom er maar eens om bij die Hollanders, die er om half zes al mee ophouden, en sowieso geen hand vuil willen maken aan ouwe troep.’

Ik toonde mij dus even een ouderwetse verrijkingsidealist, het type dat eerst door Bolkestein, toen door Scheffer en ten slotte door 9/11 en de moord op Van Gogh definitief afgeserveerd als wereldvreemd. Deze idylle mocht niet duren, want toen ik twee dagen later volgens afspraak mijn tas kwam ophalen, beheerste A. nog steeds als geen ander zijn Koning Klant-rol, maar was de tas ook nog steeds kaduuk. Hij vertelde dat zijn vader ernaar had gekeken, een neef die weer een andere zaak dreef, maar niemand zag een oplossing. Ik kreeg koffie, hij vertelde me over de lange dagen die hij maakte om de nieuwe winkel draaiende te houden, en toen beloofde hij het nog een keer te proberen; het zou allemaal met de hand moeten gebeuren, het werd duurder, het kostte meer tijd, maar de tas, merkte ik, was inmiddels een Project geworden, een lakmoesproef – ik weet niet precies voor wat – en die proef moest slagen.

Om kort te gaan: ik ben nog drie keer bij A. langs geweest, hoorde over zijn aanstaande huwelijk met een Turks meisje, de huiver die hem beving, de ouders die erop aandrongen, maar A. die eerst ‘geld wilde maken’, en ook ‘een beetje vrij toch’ wilde zijn; en ten slotte, bij het derde bezoek, bleek die tas gerepareerd en toonde A. zijn bebloede handen, want simpel was het niet geweest (en goedkoop ook al niet).

En toen we op de goede afloop nog een koffie dronken, en beiden het gevoel hadden dat hier iets groots was verricht, kreeg ik een inkijkje in A.’s wereld, gezien door Nederlands-Turkse ogen vanachter de toonbank.

Zijn vader en zijn neef hielden A. aanvankelijk scherp in de gaten, ze zaten achterin de zaak, twee waakhonden die zogenaamd goedmoedig thee dronken, maar als er een nieuwe klant verscheen, kon de neef bijvoorbeeld zachtjes in het Turks voor zich uitmompelen: „Die vuile flikker ga je toch niet helpen.”

Daar stond dan een man, die in de ogen van vader en neef geen echte man was.

Ook werd hem ten zeerste afgeraden joden te bedienen. Vader had een scherp oog als het om joden ging.

Ik was toch weer verbijsterd door die zo laconiek gebrachte informatie. Ik zei dat ook tegen A. „Ik weet niet in welke God je gelooft, maar je gelooft toch wel in Handel.” Zonder het te beseffen sprak ik hier het credo uit, zoals eeuwenlang beleden door de Hollandse koopman. A. hoorde alleen maar ‘God’ en vroeg bijna angstig of ik wel gelovig was.

„Niet echt.”

„Niet goed, niet goed”, zei hij, en net toen ik een lange en tot mislukking gedoemde theologische discussie wilde afbreken, vroeg A. langs zijn neus weg: „Ben je dan in ieder geval getrouwd?”

„Ja”, kon ik naar waarheid antwoorden.

Stilte. Wroeging van mijn kant. A. liet me onbekommerd zijn leven zien, ik koos de veilige formele weg.

„Getrouwd met een man.”

Had A. niet gedacht. Helemaal niet gedacht.

Weer werd er gezwegen, en toen ineens kwam A. met die seculiere geloofsbelijdenis, die mij als muziek in de oren klonk.

„Heb mijn vader en mijn neef weggestuurd uit mijn winkel. Heb ze gezegd: ‘Is mijn zaak wie ik bedien. Of flikker, of jood of heiden.’ Ik zie klanten. Ik wil zo vriendelijk mogelijk zijn, voor wie hier de winkel binnenkomt, want ik heb klandizie nodig. En gek genoeg, nu ik eigen baas ben, zie ik ook klanten als ik in de tram zit, of op stadsdeelkantoor moet wachten voor vergunning. Allemaal potentiële klanten. Ik behandel mensen beter nu, want ik heb ze nodig.”

In de jaren negentig, toen Paars regeerde en het grote, multiculturele ongemak zich al aandiende, trok de Nederlandse overheid dezelfde conclusie als A. De burger is een klant. Maar wat voor A. als migrant en nieuw Nederlands staatsburger wel degelijk een kwestie was van voortschrijdend inzicht, tekende nu juist de verwarring van de overheid. Kijk, klant zijn kan je overal, in de hele wereld, zolang je maar een creditcard op zak hebt, maar Nederlands staatsburger zijn, dat is maar zo’n 15 miljoen mensen gegund. Bovendien: klanten moeten op hun wenken bediend worden, terwijl burgers onvervreemdbare rechten bezitten, ook als ze even wat krapper bij kas zitten.

Dus: als een moslimburger om gescheiden opleidingen vraagt, of om aparte bidruimtes op plekken waar normaal nooit gebeden, maar gewerkt wordt, moet zo’n overheid die wensen wel inwilligen. Klanten hebben uiteindelijk altijd gelijk, het is de logica van de markt, die op onnavolgbare wijze vermengd raakt met de normstelling, die zo’n overheid ook moet geven.

Het idee van A. is een idee van en voor burgers onderling: het beschrijft de minimale voorwaarden, waardoor heel verschillende mensen – nee, niet per se kunnen samenleven – met elkaar kunnen omgaan, zonder dat het leidt tot een ‘cultuuroorlog’. Het is onsentimenteel en gaat uit van het welbegrepen eigenbelang. De overheid moet ook streven naar zo’n basispakket, maar dat zou gericht moeten zijn op de rechten en plichten van de Nederlandse burger: wat zijn de minimale garanties die je als Nederlands burger mag verwachten. Het recht bijvoorbeeld op een individuele keuze, wanneer het over geloof, seksualiteit of huwelijk gaat – ook als dat betekent dat de eigen sociaal-culturele achterban het daar niet mee eens is. En natuurlijk hebben burgers ook plichten – en die zijn uitgebreider dan creditcardmaatschappijen van hun klanten vragen.

Maar er bestaat bijvoorbeeld geen plicht tot ‘liefde voor de homo’ of ‘respect voor de moslim’. De overheid dient de negatieve vrijheden te waarborgen. Die zaken dus, die een burger in ieder geval niet over z’n kant hoeft te laten gaan, en wanneer het om positieve vrijheden gaat, de invulling van de omgang, de warmte van de contacten, moeten mensen daar vooral zelf een modus vivendi voor vinden.

‘Moet er Nederlands worden gesproken in de openbare ruimte?’ Rotterdam heeft zich er serieus meer beziggehouden, toen de overheid de klantenideologie inderhaast had afgezworen en doorsloeg naar de zedenmeesterij. Bijna zagen we een speciale, Iraans ogende politieafdeling opgericht worden, die oren en ogen (en mankracht) tekortkwam om burgers her en der te verbaliseren.

En ook dat Handvest voor IJver en Goed Gedrag, dat minister Ter Horst (Binnenlandse Zaken, PvdA) nu wil opstellen, zit er precies naast. Zorg ervoor dat de grondwettelijke vrijheden gegarandeerd blijven, en wetten worden uitgevoerd. Die leuke dingen voor aardige mensen – dát moet de burger letterlijk zelf uitzoeken. Het gaat namelijk om trial and error, om de queeste van A., van mij en alle andere Nederlanders.

Zo’n jaar of tien is de stemming over multicultureel Nederland ronduit bedrukt. Daar zijn en waren goede redenen voor, en al die redenen zijn stuk voor stuk aan bod gekomen, het laatste decennium. Maar negen jaar na de vaststelling van het Multiculturele Drama zie ik ook een klein Wonder ontstaan. Het maakt altijd kwetsbaar over wonderen te spreken, want pessimisme staat deftig en optimisme maakt dom en naïef, maar vooruit, daar gaat ie:

De EU in het algemeen en Nederland in het bijzonder is een gebied waar mensen verblijven, wonen en werken uit vrije wil. We hebben Nederlandse burgers uit de oude koloniën, die het besluit hebben genomen (in het geval van Indonesië, onder politieke druk) om naar hier te verhuizen. De Surinamers en Antillianen hebben die keuze op materiële gronden gemaakt. Ze gingen niet ‘terug’ naar Afrika (waar hun voorouders drie eeuwen geleden onvrijwillig werden geplukt, als rijp fruit aan de bomen), maar naar Nederland.

Anders dan in het geval van Amerika, waar nog steeds de directe nazaten van slaven zijn blijven wonen in het land dat ooit door hun slavenmeester was uitgezocht, hebben onze Afro-Europeanen een eigen beslissing genomen. De eerste generatie gastarbeiders kwam vrijwillig naar hier, gelokt door meer geld, utopische verwachtingen en een eigen auto.

In Europa heeft zich zo ongemerkt een Coalition of the Willing gevormd – de term die George W. Bush met zijn ondoordachte Irakoorlog in diskrediet heeft gebracht, maar die feitelijk niets anders beschrijft dan de vrijwilligheid van haar leden.

Geen burger hoeft in Nederland, in Europa, te spelen dat-ie tegen heug en meug hier verblijft, wij kennen geen gestranden op onze kusten, we kennen Schipholgangers, treinreizigers, mensen die er een lange auto- of bootreis voor over hadden om hier te komen. Wie hier is, wil hier kennelijk zijn (en daarnaast zijn er nog meer mensen die hier zo graag willen zijn, dat ze dat maar illegaal doen).

Het lijkt zo vanzelfsprekend, maar in de Verenigde Staten, het land dat ons altijd als voorbeeld wordt gesteld als het over de immigratieproblematiek gaat, leeft nog steeds het ressentiment onder delen van de Afro-Amerikanen dat ze maar ‘gehaald’ zijn. Er zijn zo’n 34,6 miljoen Afro-Amerikanen, ze maken grofweg 12 procent uit van de totale bevolking. Barack Obama is gedeeltelijk een van hen, en het is duidelijk dat deze man geen aanstalten zal maken ‘terug’ te gaan naar Kenia, om daar, zoals zijn tegenstanders willen, opnieuw geboren te worden. Maar de verlammende idee, dat je met rancune en frisse tegenzin de jouw omringende samenleving beziet, omdat je er nooit voor gekozen zou hebben – dat idee heeft wel degelijk zijn verwoestende effecten gehad in zwarte getto’s.

Een klein deel van de Nederlandse Marokkanen, Turken en Antillianen probeert die Amerikaanse toestanden te imiteren, maar mist daarvoor elke grond. De meesten zijn in het bezit van twee paspoorten, en wie nu nog zionist wil spelen en niet weet waar Israël ligt (of islamist en Mekka), die verliest al zijn geloofwaardigheid.

Europa heeft dus een bijzonder goed in de aanbieding, waar ik Nederlandse politici zelden of nooit over hoor. De vrijwilligheid. ‘Wij zijn Nederlanders, omdat we daarvoor gekozen hebben.’ Ook de 11 procent ‘allochtonen’, die deel uitmaken van onze bevolking. Het zijn gewoon Nederlanders, die wat later kwamen, maar daarmee alleen hun eigen wilsbesluit extra hebben onderstreept.

De Afro-Amerikanen in de Verenigde Staten, de ‘allochtonen’ in Nederland: het gaat om ongeveer dezelfde percentages, met dit verschil, dat niemand is ‘verscheept’ naar ons land.

Dat is een beslissend verschil, en geeft Europa wel degelijk een voorsprong als het om het multiculturele kwesties gaat.

Ik hoor en zie hoe A. dat gedachtegoed in de praktijk brengt. Bewijsstuk 1: mijn geheel vernieuwde, jarenvijftigdokterstas.

Maar de Nederlandse overheid lijkt niet te beseffen welke sterke troef ze in de hand heeft. Speel die kaart nu eens. Wijs op het bredere perspectief. Op het alledaagse wonder.