Zit niet zo te zeiken man

In de voorstelling ‘Mijn leven als Theo Nijland’ hekelt liedjeszanger Theo Nijland op ironische wijze de heersende persoonlijkheidscultus. „Mensen stellen geen vragen meer.”

Theo Nijland is lang. Rijzig op het stijve af. Met zijn statige uitstraling heeft hij wat je noemt de schijn tegen. Niet iemand bij wie je stof voor een enerverend bestaan vermoedt. Toch maakte hij een musical over zijn leven. Een tweepersoonsmusical, om de ironie nog eens te benadrukken, en het was dé zomerhit op de Parade dit jaar. Met een langere, nieuwe variant gaat hij nu de theaters in.

De grootste lol ontleent de voorstelling aan de contrasten die hij oproept. „Ik ben de eerste die mijzelf zal relativeren”, zegt Nijland (55). „Ik ben realistisch. Ik ben geen Shaffy. Ik heb niet dát”, zegt hij, terwijl hij armen theatraal spreidt en vet grijnst. Weer effen: „Ik ben een meneer die eruitziet als een accountant, die zijn tas neerzet en de muziek eruit haalt. En die dan lyrisch, kwetsbaar en hard blijkt te zijn.”

Behalve zijn uiterlijk heeft Theo Nijland nog een probleem. Hij is minder bekend dan hij zou moeten zijn, vindt hij zelf. Dat frustreert hem wel een tikje. „Als ik voor 150 huisartsen optreed, dan komen ze na afloop naar me toe om te zeggen: ik vond het fantastisch – maar ik ken u helemaal niet!” Dus hij doet iets verkeerd, of het publiek doet iets verkeerd. „Al die mensen gaan naar dat stomme cabaret en die musicals. Iedereen heeft het druk en zwaar, maar áls je ontspant, neem dan goede dingen tot je. Er is veel gemakzucht onder de mensen.”

Dus huisartsen opgelet: Theo Nijland is bijzonder. Bijzonder goed. Aan de critici heeft het overigens niet gelegen. Die prijzen hem bij elke gelegenheid. Geloof de critici. Zijn voorstellingen, en cd’s als Jij, Praag en Masterclass getuigen van verfijnde teksten vol subtiliteiten en dwarse ironie en van zijn rijke, gestileerde stemgeluid. Zijn zelfdepreciatie en cynische levensgevoel ontroeren. Dat kunnen alleen de hele groten.

Er zijn wel redenen te bedenken waarom Theo Nijland minder beroemd is dan K3 en Marco Borsato, maar als ik hem die voorhoud dan bokt de zanger, onwillig. Het is misschien zijn ingetogen manier van zingen, die hij afwisselt met zinnetjes zingzeggen tegen de melodie in. „Mijn zang is echt niet de helft parlando. Ik moet mijn tekst kwijt. Het zijn luisterliedjes.”

De ontlading die uit volle borst meezingen geeft, is er bij Nijland niet bij. „Ik kan hard zingen en een noot aanhouden, maar mijn teksten lenen zich daar niet voor. Dus dan wil ik me ook niet extra aanstellen.”

Je niet aanstellen, teksten met diepgang en waardering voor zijn stiel: dat houdt Theo Nijland bezig. Hoe komt zo iemand erop een musical te maken? „Bij mijn vorige voorstelling had ik een liedje waarbij iemand kijkt naar een plek waar ze zijn leven verfilmen. Dat was commentaar op al die levens die worden uitvergroot, door reality-tv en boeken over emotionele gebeurtenissen als kanker krijgen. Er wordt ongelofelijk veel uit privélevens naar buiten gebracht. Ik vraag me af of dat allemaal nodig is. En ik wilde kijken wat er gebeurt als ik dat opgepompte gedoe bij mijzelf zou uitwerken in een musical.”

Maar waarom een musical?

„Ik werk van buiten naar binnen, van vorm naar inhoud. Door een grote, pretentieuze vorm te kiezen ben ik er al half. Een sterfscène is bijvoorbeeld onontkoombaar, want een musical over iemand die nog leeft mislukt. Zie Willeke.

„Een goede musical heeft humor en sterke archetypen: het weesmeisje en de rijke man. De huidige musicals, veel Van den Ende-producties, zijn lichte opera’s met rammelende libretto’s en doodserieus. Dat is populisme.”

Koos je wegens het contrast voor je tegenspeler Juneoer Mers?

„De tegenstelling oudere heer en jonge rasta uit Rotterdam-Noord is al een thema. Hoe komen die bij elkaar? Door de muziek. Juneoer is de man die een musical wil maken en ik verzet me. Dat levert een goed spanningsveld op en het leent zich ook voor de serieuze ondertoon die de musical ook heeft. Ik wilde geen camp. Camp is me te licht.”

Mers is 25 en nog onbekend. Hoe ontdekte je hem?

„Ik gaf een workshop bij de Frank Sanders Academie, zes vrouwen, één man. Ze wilden gewoon liedjes zingen, niet belten, geen make-up. Hij viel op. Ik werd vrolijk van hem. Hij komt uit een achterstandswijk, heeft een dochter van vijf. Hij heeft het net gehaald, door een moeder die hem af en toe bij de nek greep. Terwijl veel leeftijdsgenoten blijven hangen in het drugscircuit. Hij houdt ook niet van musical. Hij houdt van urban.

„In de musical haal ik het Pygmalion-gevoel aan. Zo gaat het ook echt: hij is deel van mijn leven. Ik neem hem overal mee naar toe en hij vreet het. Dat is toch hartstikke leuk. Doe ik ook nog wat goeds...”

Is het contrast confronterend?

„Nou, ik ben 55 en ik ben wel met de dood bezig, en met vergetelheid. Ik ben toch een laatbloeier. Fysiek en uiterlijk heb ik mijn beste tijd gehad. Voor het eerst zit ik tegen die eindigheid aan te hikken. Maar je wordt ook wijzer. Ik red me makkelijker. Ik laat niet meer met me sollen.”

Wat vindt de beschimpte ex Dic van Duin van zijn ‘rol’?

„Nou, hij was hier een keer in de kamer toen we de voorstelling oefenden. Hij moest heel erg lachen om de scène waarin ik hem uitkaffer, maar ik zag hem toch ook fronsen. Ik zei: ‘Joh, als je maar genoemd wordt’.

„Zijn kinderen hebben het er nog steeds over. Hij heeft het uitgelegd. Dat hij vroeger met mij was en nu met een vrouw. Ze vragen dan door. Maar je was toch verliefd op hem, vragen ze dan. Als zo’n scène dat oplevert, vind ik dat grappig.”

In het liedje ‘Wat een leuk liedje’, op de vorige cd, krijgt de zanger commentaar omdat hij een liefde met een meisje bezingt: ‘Theo, je bent toch homo!’

„Vroeger mystificeerde ik mezelf. Als liedjesschrijver denk ik aan een vrouw. Als ik aan een man denk komt er weinig uit.”

Dat is toch vreemd. Hoe komt dat?

„Misschien is het toch wel gêne. Op school hadden we Jan Simon Minkema. Die zong liedjes met regels als: ‘Kleine jongen, ik zie hem staan’. Dan dacht ik: O my God, wat moeten wij daarmee!

„Ik heb wel liedjes gemaakt over mannenliefde. Maar dan wordt het meteen heel hard en cynisch. Waarom dat is, moeten psychologen maar uitzoeken.”

Veel liedjes zijn in de jij-vorm. Om de kwestie te ontlopen?

„De jij-vorm is prettig direct. ‘Je laat mijn hand los’ betrekt je meteen bij het verhaal.”

In de musical heeft uw moeder weer een rolletje. U zong al eens over een moeder die geen liefde geeft aan haar kind. Nu luidt de tekst: ‘Je had me moeten aanraken moeder. Ik was een kind moeder.’

„Ik weet niet of ik haar erin hou. Ik begin vrij pontificaal met: ‘Ik hield niet van mijn moeder.’ Dat was ook zo. Ik had wel respect voor haar, maar lichamelijk was er geen band. Ik ga nog proberen van de week of ze in het verhaal past, maar ik moest aan mijn broers denken. Als die in de zaal zitten en me horen, zullen ze wel denken: zit niet zo te zeiken, man.”

Men zou iets kunnen lezen in die moederhaat.

„Dat is niet nodig. Ik durf echt mensen aan te raken. Maar als ik stel dat een liedje altijd ergens over moet gaan, dan komt dat van haar.

„Mijn moeder had ambities en werd later feministe, vandaar ook mijn respect, maar haar milieu was erg christelijk, dus er moesten wel kinderen komen. Ze heeft haar kinderen door de gymnasia gejaagd. Mij niet. Ik was de jongste van zeven, bij mij was ze moe. Ik schijn een intellectuele uitstraling te hebben, maar ik heb gewoon havo en hbo. Er werd bij ons wel altijd gediscussieerd, dus nou ja, ik ben wel bij.

„Ze was niet complimenteus. Tot ik vlak voor ze stierf ontdekte dat ze een dik boek met krantenknipsels over me had. Wat leuk, zei ik. Ja, ach, jongen, zei ze, jij hebt geen kinderen, dus ik dacht, ik plak maar wat recensies in.”

Toch heeft ze u beïnvloed.

„In de ogen van andere mensen ben ik streng. In dat opzicht lijk ik op haar. Ik beoordeel dingen altijd op inhoud. Het moet diepgang hebben. Wat neem hiervan ik mee, vraag ik mezelf dan.”

Wat moeten mensen meenemen van uw musical?

„Ik wil het publiek die persoonlijkheidscultus voorhouden. Heel veel mensen vragen helemaal niet: hoezo een musical over je leven? Ze accepteren dat zoiets bestaat.

„Het is ook leren kijken. In mijn vorige voorstelling analyseerde ik een tekst van Bløf, en dan zeiden mensen: ‘O shit, dat heb ik wel honderd keer gehoord, maar nooit op gelet, ja, dat rammelt wel erg.’ Dat is grappig, maar ook nuttig. Dan gaan mensen misschien beter luisteren.”

Het zelfportret dat u tekent klopt aardig. Die stonede jongen aan de piano was u ook?

„Ja, ik blowde heel veel. Iedereen deed dat. Ik had een beschermde, maar saaie jeugd. Ik heb ontzettend zitten wachten tot er een ander leven begon. Maar ik speelde al vroeg piano voor geld. Bij bejaardengymnastiek, bridgemiddagen, ochtendpsalmen, modeshows. Hing ik artistiek met mijn lange haar over de toetsen.”

Waar leidt dat toe, dat het altijd ergens over moet gaan?

„Ik heb ooit het liedje ‘Langs het tuinpad’ geschreven. Ik was bevriend met een jongen die erg was misbruikt in zijn jeugd. En dan komt mijn moeder boven: daar moet toch iets over te doen zijn. Ik wilde een streng nummer schrijven, maar dat lukte niet.

„Toen heb ik de zaken omgedraaid en is er zoiets als een registrerend 8mm-filmpje uitgerold. Ik kijk in het liedje uit het raam en ik vermoed iets tussen vader en dochter, maar ik weet niet of het waar is. Mijn fantasie slaat op hol. Ik beschuldig en stigmatiseer die buurman in het liedje. De tekst bevat dus niet mijn strenge oordeel over pedofielen, maar draait om hoe mensen kijken en hoe mensen omgaan met compromitterende situaties.”

Waarom die verwijzingen in muziek en tekst naar ‘Het dorp’ van Wim Sonneveld?

„Dat benadrukt de onschuld en het niks-aan-de-handgevoel. Ik weet niet meer hoe ik daar bij kwam. Ik associeer. Ik kan schrijven over de kleur van mijn schaamhaar – over wat nu de kleur van mijn schaamhaar is – en uitkomen bij een hoopvolle gedachte.

„In de musical zit een nieuw lied waarin ik aankondig het anders te gaan doen – dat verbind ik aan ‘Tomorrow’ uit de musical Annie. Eens goed naar André Rieu luisteren, want als ik hem niet snap, snap ik het gros van de mensen niet. Ik hou mezelf voor dat ik te makkelijk oordeel over slechte smaak. Wat ik beoog is kijken waar die haat vandaan komt waardoor mensen PVV stemmen. Ik wil het begrijpen.”

Dat is een flinke stap, van slechte smaak naar PVV stemmen.

„PVV stemmen is een kwestie van slechte smaak. PVV-stemmers houden van André Rieu. Mensen die zich door massahysterie laten leiden. In dit Noord-Hollandse dorpje wonen veel PVV-stemmers. Bange mensen die Amsterdam ontvlucht zijn. Het vreemde is eng voor ze.

„Ik zou graag een lied schrijven over het geloof. De kerk en het christendom hebben we achter ons gelaten, maar nu is er weer een ander geloof. Ik heb geen last van moslims, maar het stoort me dat religie weer zo belangrijk is geworden, want bij geloven stopt het denken.”

Er spreekt een overmatig zelfbewustzijn uit uw liedjes. Vaak krijgt het liedje zelf of het verhaal commentaar van een tegenstem. Er wordt steeds iets achtergehouden of teruggenomen.

„Ja, dat klopt. Dat is misschien intelligentie. En de angst me in het orgasme te verliezen. De muziek bevrijdt me af en toe van die gedachte.”

Vanwaar die angst voor overgave?

„Ik wil controle houden. Het komt voort uit mijn streven naar een balans tussen spiritualiteit en sturing. Sommige mensen worden bewonderd om hun warmte en passie. Maar ik denk dat dingen die echt mooi zijn juist heel gecontroleerd zijn.

„Het gaat mij niet om de lange noten of het grote gevoel. Ik wil niet huichelen, ik wil het zuiver houden. Zingen dat de liefde de pijler van ons bestaan is – dat krijg ik er niet uit.

„Maar als ik terugblik, dan had ik er wel een schepje overgave bovenop mogen doen. Dan was ik misschien bekender geweest.”

Mijn leven als Theo Nijland. Door Theo Nijland en Juneoer Mers. Première: za 17 okt. Tournee t/m 22 dec. Reprise in 2010. Info: www.kikproductions.nl