Vrouwen worden gezien als moeder, niet als professor

In Nederland weerhoudt het beeld dat men van vrouwen heeft, dat zij carrière in de wetenschap kunnen maken. Plasterk koestert die misvatting ook, stelt Mineke Bosch.

Het was vorige week weer een over elkaar heen tuimelen van meningen over nut en nadeel van quota voor vrouwen in hogere functies. Ik vraag me af of in deze discussie het academische kennispotentieel wel voldoende wordt benut.

Deze vraag beklemde mij nog het meest toen ik minister Plasterk (OCW, PvdA) vorige week hoorde spreken tijdens de carrièredagen die door NWO en het Landelijk Netwerk van Vrouwelijke Hoogleraren was georganiseerd. Zijn speech was een reactie op de Monitor vrouwelijke hoogleraren in Nederland. Het goede nieuws van deze inventarisatie is dat er in de afgelopen tijd een kleine vooruitgang was geboekt. Het slechte nieuws is dat Nederland in de Europese vergelijking steeds verder achterblijft, zo’n beetje bij Malta en Cyprus. Tenzij je van mening bent dat Nederlandse vrouwen heel iets anders willen dan de rest van Europa, is dat een probleem.

Wie nu zou denken dat de minister-wetenschapper dat probleem op een wetenschappelijke wijze zou benaderen, komt bedrogen uit. Voor de zoveelste keer mocht ik uit zijn mond verklaringen aanhoren die op zijn eigen ervaring waren gebaseerd en die tot het meningenarsenaal van bijna iedere Nederlander behoren:

Vrouwen vallen in „het zwarte gat van het moederschap” juist als het er wat de carrière betreft op aankomt (al geldt dat ook voor mannen, voegde hij er aan toe…).

Iemand als Christiane Nüsslein-Volhard, Duits biologe en Nobelprijswinnares, kan geen rolmodel voor vrouwelijke wetenschappers zijn, omdat zij geen kinderen heeft, en datzelfde geldt voor alle andere Nobelprijswinnaressen.

Ik houd het even bij deze twee enormiteiten. Wie een beetje thuis is op dit gebied weet dat vrouwen altijd voor de keuze wetenschap of carrière werden geplaatst door opvattingen over huwelijksrecht en arbeidsverboden, belastingregels en sociale verzekeringen.

Die geschiedenis heeft nog steeds invloed op ons denken, bijvoorbeeld over zorgende vaders als relaxte en veelzijdige werknemers en werkende moeders als beklagenswaardige sloven. Nog steeds geldt voor het merendeel van de vrouwelijke hoogleraren dat zij geen kinderen hebben, maar ik zou niet de stelling onderschijven dat al die vrouwen die kinderen ook echt niet hebben ‘gewild’. Niettemin heeft onderzoek uitgewezen dat ook vrouwen zonder kinderenniet op dezelfde wijze carrière konden maken als mannen, doordat hun kwaliteiten niet op dezelfde wijze als die van mannen werden beoordeeld.

Ook eigentijdse analyses laten zien dat het hebben of niet hebben van kinderen wel een factor van betekenis is, maar eigenlijk alleen in afgeleide zin. Het is namelijk vooral de hardnekkige beeldvorming over mannelijke en vrouwelijke wetenschappers, over werkende moeders en zorgende vaders in relatie tot ideeën over excellentie en toptalent die maakt dat de kwaliteiten van vrouwen anders worden ingeschat – door mannen én door vrouwen. In combinatie met gebrekkig management en benoemingsprocedures die zich onttrekken aan formele regels, zoals aangetoond door onderzoekster Marieke van den Brink, leidt deze onderwaardering van vrouwelijk talent tot ondervertegenwoordiging van vrouwen aan de top.

Het is nog maar sinds kort dat de ongelijke behandeling van vrouwen in de wetenschap überhaupt wordt onderzocht. In 1997 leidde het Zweedse onderzoek naar Nepotism and Sexism in Peer Review tot grote bezorgdheid omdat daaruit op grond van ‘keiharde’ statistische analyse bleek dat (althans daar en dan) vrouwen tweemaal zo goed moesten zijn als mannen om in aanmerking te komen voor onderzoeksgeld.

Maar ook uit mijn eigen onderzoek naar de wetenschappelijke carrières van vrouwen vond ik talloze bewijzen voor onderscheid op basis van sekse, onder andere in de archieven van OCW, waarin tot enkele decennia geleden de kroonbenoemingen werden gedocumenteerd. Zo werd een briljant onderzoekster als de scheikundige Antonia Korvezee, een vrouw die bij Marie Curie studeerde en het radioactief onderzoek introduceerde in Delft, in een brief aan de minister ‘te theoretisch’ genoemd voor het hoogleraarschap waarvoor zij volgens het ministerie zo langzamerhand toch echt in aanmerking kwam. Uiteindelijk kreeg zij een bijzondere leerstoel in een ander laboratorium dan waaraan zij jarenlang haar krachten had gegeven.

Een recenter voorbeeld is de fysicus Anneke Levelt, die in de jaren zestig van de vorige eeuw na haar huwelijk met collega Jan Sengers voor het voldongen feit werd geplaatst dat haar lectoraat voortaan aan hem werd aangeboden. Het echtpaar besloot naar Amerika te gaan omdat het voor haar in Nederland niet mogelijk was om carrière te maken. Zij werd later niet alleen moeder van vier kinderen, maar ook een onderzoekster van wereldfaam.

Plasterks opmerking over Nüsslein-Volhard is eveneens een schoolvoorbeeld van beeldvorming waarin wordt verondersteld dat moederschap en wetenschap elkaar uitsluiten. Dat er helemaal geen Nobelprijswinnende moeders zouden zijn, wordt al tegengesproken door de eerste winnares: Marie Curie en haar dochter Irène Joliot-Curie. Stuitender is echter dat Plasterk ermee zegt dat Nüsslein-Volhard niet ‘vrouwelijk’ genoeg is om een rolmodel voor vrouwelijke wetenschappers te kunnen zijn, omdat zij geen kinderen heeft.

Maar minister, die ‘kreeg’ zij niet omdat zij anders veel minder kans had om een Nobelprijs te winnen. Het is niet toevallig dat Nüsslein-Volhard een stichting in het leven heeft geroepen die het vrouwen met kinderen vergemakkelijkt om als talent behouden te blijven. Het is haar commentaar op het onmogelijke dilemma dat zij als jonge vrouw heeft ervaren.

Wie geen kennis neemt van de geschiedenis van vrouwen en mannen in de wetenschap blijft het verleden met alle daarin heersende meningen herhalen. Hoewel de wettelijke obstakels zijn verdwenen en formeel alle carrièremogelijkheden voor vrouwen openstaan, voorkomen die traditionele opvattingen nog steeds dat vrouwen als talentvolle wetenschappers worden gezien in plaats van als moeders. Een man kan triomfantelijk te laat komen als hij zijn kind naar de crèche heeft gebracht, een vrouw kan zich dat absoluut niet veroorloven.

Plasterk zou moeten leren van de geschiedenis. De achterstand van Nederlandse vrouwen is het resultaat van een lange traditie. Die kan alleen worden doorbroken door wetenschappelijke kennis daarover te gebruiken.

Mineke Bosch is hoogleraar moderne geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen.