Van boswachter naar bladluis

Paul Baeten Gronda: Kentucky, mijn land. De Bezige Bij, 157 blz. €14,90

‘Als ik aan jou denk, denk ik aan de zee. En als ik aan de zee denk, denk ik aan kwallen.’ De twee regels die middelbare scholieren zo vaak in elkaars agenda’s kalken, zouden door Karel Jemen bedacht kunnen zijn. Jemen, de hoofdpersoon van Kentucky, mijn land , de tweede roman van de jonge Vlaming Paul Baeten Gronda (1981), is een norse 70-plusser die zich na een werkzaam leven als verkoper van zand heeft opgesloten in een appartement aan de Noordzeekust. Hij heeft het vermogen alles om hem heen tot iets walgelijks te reduceren. Mensen doen hem zonder uitzondering aan ‘rattenkopjes’ denken, dieren zijn alleen maar erg onhygiënisch en die zee waar hij op uitkijkt, ach, die stinkt ook maar.

De misantroop Jemen, die zich gespecialiseerd heeft in een haat jegens vrouwen en Joden, doet geen enkele moeite zijn minachting voor zichzelf te verbergen. Door jan en alleman te kleineren houdt hij zijn wereldbeeld overzichtelijk en behoudt hij voor zichzelf iets van de glorie uit de tijd dat zijn zakenimperium ‘32 man in dienst had, inclusief chauffeur en een dame die de koffie inschonk’.

Stikkend in zijn zwartgalligheid heeft hij zich al jaren niet meer buiten zijn appartement begeven en spant hij op doortrapte wijze de andere bewoners van het gebouw voor zijn karretje als hij iets van ze nodig heeft. Baeten Gronda’s hoofdpersoon is de typische man you love to hate: je zou door de humor van zijn haataforismen bijna over het hoofd zien hoe verwerpelijk ze zijn.

Dat Baeten Gronda een groots plot niet het belangrijkste element van Kentucky, mijn land vindt is al vanaf de eerste zin duidelijk. ‘Uiteindelijk zou Karel Jemen alles verliezen, maar voorlopig had hij zich alleen maar verbrand.’

Wat volgt is het overzichtelijk vormgegeven relaas waarin Baeten Gronda zijn Karel Jemen vanaf die verbranding naar de ondergang voert, in zinnen die af en toe wat Grunberg-invloeden verraden. ‘Maar, zo vond hij, je moest vechten met de wapens die het leven je aanreikte. Als die wapens een fluitende kapper en een dorpsgek waren, dan zat er niks anders op dan je verwachtingen bij te stellen’, staat er dan bijvoorbeeld. Het gaat Baeten Gronda overigens prima af, dat leveren van deels droog, deels zwartgallig commentaar. Kentucky, mijn land doet qua sfeer vaak denken aan een film van Alex van Warmerdam: ruw en absurd. Wanneer Karel Jemen bezoek krijgt van Alicia, de vrouw die zijn appartement schoonmaakt, is dat als volgt beschreven: ‘Als Alicia bij Karel aankwam, moest zij voor alles haar handen wassen. Karel keek dan toe, slecht verstopt achter een plant, of zij wel voldoende zeep gebruikte.’

Het valt op hoezeer de schrijver de tragische verhaallijnen van het boek ondermijnt. Baeten Gronda lijkt een loopje te willen nemen met de manier waarop de lezer zich instelt op een meeslepende passage. Eerst bouwt hij zonder enige moeite een spanningsboog op om er vervolgens met een absurde constatering het hele fundament onder vandaan te trekken. Nadat bijvoorbeeld duidelijk is geworden dat Jemens haat tegen vrouwen voortkomt uit het feit dat een geliefde hem ooit bedroog met een man die Willem heette, volgt daarop de constatering dat Jemen ‘die naam met boswachters associeerde, en boswachters associeerde hij dan weer met ondermaatse hygiëne en bladluizen’. En zo is er weer een leitmotiv om zeep gebracht.

Baeten Gronda creeërde een wereld waarin uiteindelijk maar weinig verandert en waarin ook de verstokte brompot Karel Jemen het lid niet op de neus krijgt. Zelfs het sterven van zijn ‘enige vriendin’ brengt hem niet van de wijs, simpelweg omdat hij er niet door is veranderd. ‘Het was belangrijk het geloof te verspreiden dat haar leven als voltooid kon worden beschouwd toen het plots afliep. En als hij niet te diep nadacht, geloofde Karel Jemen dat ook echt.’

Baeten Gronda heeft duidelijk plezier gehad in het schetsen van Jemen. Om Jemen vorm te geven laat de schrijver zijn zure mantra’s over de pagina’s buitelen. Hierdoor is Kentucky, mijn land vooral een erg vermakelijk boek geworden. Tussen de regels door glinstert een groter talent. Dat Baeten Gronda daar nu nog enigszins laconiek mee omspringt, is dus eigenlijk alleen maar hoopvol te noemen.