Václav, Helmut of... tsja wie?

Om 11.00 uur wordt bekend wie de Nobelprijs voor de Vrede ontvangt.

Door de brede criteria van het Nobelcomité is het moeilijker om te voorspellen wie de Vredesprijs zal krijgen.

Nog nooit werden er zoveel mensen genomineerd voor de Nobelprijs voor de Vrede: 205, waaronder 33 organisaties. Maar wie dat zijn, blijft gokken. Want het Noorse Nobelcomité maakt niets bekend – op die ene naam van de laureaat na, vanmorgen om elf uur.

Het comité hult zich sowieso in stilzwijgen en legt niet uit hoe het tot die keuze komt. Of er veel discussie was onder de vijf leden. Of de genomineerden – voorgedragen door parlementariërs, ministers, academici en juristen die zich met internationaal recht bezighouden – wel in aanmerking konden komen voor de meest prestigieuze vredesprijs ter wereld.

En dat terwijl de Nobelprijs voor de Vrede „een prijs voor de hele wereld” is. Zo zegt tenminste Thorbjorn Jagland het, de Noorse oud-premier die voorzitter is van het comité voor de Nobelprijs voor de Vrede. De prijs moet volgens hem „de houding die nu aanwezig is onder de wereldbevolking reflecteren”.

En Ole Danbolt Mjos, tot begin dit jaar voorzitter van het comité, zei bij de uitreiking in 2007: „Het gaat om hoe we samen leven, onze bronnen delen, en om hoe we de aarde beschermen.”

Wat weten we wél van het keuzeproces van het Nobelcomité? „Het comité doet eigen onderzoek naar de genomineerden, tot er een shortlist van twintig namen is”, is het enige wat Dag Köhle van het Norske Nobelinstitutt, wil zeggen over het proces. Het Norske Nobelinstitutt zorgt voor wetenschappelijke en ambtelijke ondersteuning van het Nobelcomité voor de Vrede. „Daarna wordt er een nauwkeurigere lijst gemaakt, tot er één naam overblijft.” Al weet hij meer, hij mag het niet vertellen en verwijst naar de website van het Nobelcomité.

Volgens het testament van de Zweedse industrieel Alfred Nobel (1833-1896) gaan de 10 miljoen Zweedse kronen (965.000 euro) naar diegene „die het meeste of beste werk verrichtte voor broederschap tussen naties, de afschaffing of beperking van legers, en het houden en promoten van vredesbijeenkomsten.”

Aan het begin van de twintigste eeuw waren dat pacifisten, of hoogleraren en organisaties die zich bezig hielden met internationaal recht. Zoals de enige Nederlandse laureaat tot nu toe, de jurist en diplomaat Tobias Asser. Hij deelde in 1911 de prijs met de Oostenrijker Alfred Fried. Asser geloofde dat juridische conflicten tussen naties konden worden opgelost door op internationale conferenties gezamenlijke oplossingen te zoeken.

Maar de criteria werden allengs verbreed. Na 1960 kwamen ook activisten voor mensen- en burgerrechten in aanmerking: Martin Luther King (1964), Lech Walesa (1983) en Aung San Suu Kyi (1991). En onder de laureaten van de afgelopen jaren waren armoedebestrijders en milieuactivisten, zoals de Bengaalse econoom Muhammad Yunus (2006) en de Keniaanse Wangari Maathai (2004).

„Als je kijkt naar wat Alfred Nobel in zijn testament schreef, dan hadden de afgelopen jaren maar weinigen de prijs gekregen”, legde de voorzitter van het comité, Thorbjorn Jagland, begin dit jaar uit in een (zeldzaam) interview aan persbureau Reuters. „Het idee over wat vredestichten is, was honderd jaar geleden heel anders dan nu.”

Die stellingname van het comité leidt tot kritiek. „De prijs gaat niet meer naar de mensen die Nobel in gedachten had”, zegt bijvoorbeeld de Noorse advocaat en vredesactivist Frederik Heffermehl, die voor zijn boek Nobel’s Will alle prijzen sinds 1901 afzette tegen het testament van Nobel. „Hij sprak over ‘kampioenen van de vrede’ en verwees naar ontwapening, en naar organisaties die door middel van internationaal recht een beschaafde wereld wilden bewerkstelligen.”

Volgens Heffermehl heeft het comité dit idee in 1946 losgelaten, omdat een wereld zonder militaire aanwezigheid ondenkbaar was. Om die reden werden de criteria verruimd. Heffermehl roemt uit de afgelopen jaren alleen de prijs voor de Verenigde Naties en Kofi Annan (2001) als de „perfecte vertaling van Nobels testament”.

Het comité vindt het logisch dat er kritiek is. Geir Lundestad, sinds 1990 secretaris van het comité, zei tijdens een lezing vorig jaar dat beslissen wie het meest voor vrede heeft gedaan „geen koud, academisch oordeel” is. „Je moet het vermogen en de wil hebben om conflicten zo objectief mogelijk te bekijken. En intussen moet je een sterke toewijding voelen aan zekere morele en politieke principes.”

Toch leidt de politieke getintheid van de Nobelprijs voor de Vrede óók onder de leden van het Nobelcomité soms tot ophef. Zoals in 1936, toen de prijs ging naar de Duitse pacifist Carl von Ossietzky, die zich openlijk verzette tegen de Duitse herbewapening na de Eerste Wereldoorlog en de onderdrukking van joden door de nationaal-socialisten.

Ná de Tweede Wereldoorlog werd het gezien als een grootse daad van het Nobelcomité. Maar commissielid Koht, de toenmalige Noorse minister van Buitenlandse Zaken, vond dat de neutraliteit van zijn land in gevaar kwam en stapte op. Sindsdien bestaat het Nobelcomité niet meer uit zittende leden van het Noorse parlement. Dat benoemt de leden nog wel.

Ook in 1973 namen leden van het comité ontslag. Toen werd de prijs gedeeld door de Vietnamese leider Le Duc Tho en de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Henry Kissinger voor hun vredesonderhandelingen. Le Duc Tho weigerde de prijs – de enige die dit tot dusver heeft gedaan – omdat er volgens hem geen sprake was van een staakt-het-vuren in Vietnam. Kissinger, die door velen meer geassocieerd werd met oorlog dan met vrede, kwam niet opdagen bij de prijsuitreiking in december, en probeerde de prijs terug te geven (wat niet kan). Ook bij andere laureaten kwam kritiek, omdat ze werden gezien als verantwoordelijk voor oorlog: Menachem Begin en Anwar Sadat (1978), Yasser Arafat, Shimon Peres en Yitzak Rabin (1994) en Frederik De Klerk (die de prijs deelde met Nelson Mandela in 1993).

Maar het comité kijkt ook naar „de mogelijke positieve effecten van zijn keuze”, schrijft oud-voorzitter Franis Sejersted op de website van het Nobelinstituut. Soms wil het comité vredesprocessen een duwtje in een goede richting geven, zoals in Noord-Ierland (John Hume en David Trimble, 1998). Druk is soms genoeg – en de grote politieke en sociale invloed van de Nobelprijs, voert die op.

Door de brede criteria van het Noorse Nobelcomité is het moeilijker geworden om te voorspellen wie de Vredesprijs zal krijgen. „We maken ons geen zorgen over voorspelbaarheid, omdat we de macht hebben te laten zien dat we onvoorspelbaar zijn. Maakt u zich geen zorgen”, grapte toenmalig voorzitter Ole Danbolt Mjos in 2007.

Vanmorgen om elf uur zullen we het weten. Op één iemand na: de laureaat wordt sinds enkele jaren eerder door ‘Oslo’ gebeld – drie kwartier van tevoren. „Dat is wel zo eerlijk”, zei secretaris Lundestad vorig jaar. „Onze beslissing zal een enorme impact hebben op de rest van zijn of haar leven – en zeker op zijn agenda.” Want om vijf over één staan de eerste televisieploegen al voor de deur.