Tegen een lijk is geen taal gewassen

Zijn nieuwe roman ‘Sprakeloos’ moest gaan over het sterven van zijn moeder. Daar gaat het boek inderdaad over, en over literatuur. ‘Maar het mag geen bellettrie worden’, schreef Tom Lanoye.

Tom Lanoye Illustratie Martien Bos Bos, Martien

Tom Lanoye: Sprakeloos. Prometheus, 368 blz. € 17,95

Lees dit boek niet. In een proloog bij Sprakeloos waarschuwt Tom Lanoye iedereen die ‘afknapt op een roman die volgens velen geen roman zal mogen heten omdat hij een deugdelijke kop mankeert, een schone krulstaart en een ordentelijk middenstuk, laat staan dat hij bij wijze van darmstelsel een fatsoenlijk samenhangend verhaal bevat’. Want dit is een tekst die tegelijk ‘een klaagzang [...], een eerbewijs en een krakende vloek’ is en die handelt ‘over het leven zelf’.

Tegen welke vijand neemt de schrijver het hier zo hardvochtig op, nog vóór hij zijn verhaal begint? Waarom het vuur geopend op de varkensachtige anatomie van de klassieke roman – en waarom zo larmoyant? ‘Koop iets anders, leen iets anders, roof iets anders’, besluit Lanoye zijn pre-emptive strike die je even met de ogen doet knipperen. En door dat laatste zou je haast de alinea van de introductie over het hoofd zien die het voorgaande pathos in zeven woorden samenbalt: ‘En mis het verhaal van mijn moeder.’

Dat is het verhaal van de beroerte die de moeder van Lanoye op slag van haar spraakvermogen beroofde en de daaropvolgende attaques die haar verder deden aftakelen tot ze na twee jaar dan eindelijk mocht sterven. Een requiem voor een ouder, maar een requiem dat heel traag op gang komt. Niet alleen door die proloog, maar ook doordat Lanoye zich aanvankelijk verliest in uitweidingen en bijzaken, waarna hij die omwegen thematiseert: waarom kan hij toch dat boek over zijn moeder niet schrijven? Waarom heeft hij eigenlijk niet eerder over haar geschreven? Zij was het die hem van Hugo Claus leerde houden, maar in Lanoyes prozadebuut Een slagerszoon met een brilletje (1985) ging het vooral over zijn vader, het minst sterke karakter van zijn twee ouders.

Zo stapelt de schrijver uitstel op uitstel, tot ook zijn vader overlijdt. Lanoye realiseert zich dat het de verwachtingen van de weduwnaar waren die hem kopschuw maakten; de hoop dat de dode moeder en echtgenote in het boek tot leven gewekt zou worden. Vader zou elke poging ‘kritiekloos verwelkomd hebben als een kamerbreed mirakel’. Dan pas, we zijn 65 pagina’s ver, kan het verhaal beginnen. Bijna. Eerst benadrukt de schrijver nogmaals het particuliere karakter van zijn onderneming: ‘Steek een priem in de vakman die je zo vaak beweert te zijn, en luister vergenoegd naar de zucht die uit de steekwond ontsnapt als een vuile wanhopige wind.’

Overigens zijn er tussen de poëticale bedrijven door al een paar mooie scènes langsgekomen uit het leven van het slagersgezin in Sint-Niklaas, en dat worden er alleen maar meer. Lanoye beschrijft zijn moeder als ‘een feminiene dwingeland, niet gewend haar zin niet te krijgen’: ‘Hoe perfect beheerste zij het palet der huishoudelijke afpersing’. Vader steekt daar bleekjes bij af, wat prachtig blijkt op het moment dat hij door ‘het moederbeest’ wordt gedwongen om een van hun zoons in haar naam te straffen. Lanoye beschrijft hoe de vader schoorvoetend in slagersschort op de puber afstapt, geprovoceerd tot de klap op het hoofd onvermijdelijk is. Die volgt met een dessertbord, ‘een allegorisch mepje’ dat dankzij een oude barst in tweeën breekt, tot schrik van de vader en met een krijspartij van de jongen tot gevolg: hij heeft het acteertalent van zijn moeder geërfd.

Die zoon is trouwens niet Tom Lanoye, maar een oudere broer die jong zal verongelukken en zo een van de grote drama’s in het leven van de moeder zal vormen. De synopsis van dat leven is snel gegeven: na een behoorlijke opleiding valt zij voor de charmes van de slager die haar eerste en enige liefde zal worden, ze geeft haar baan op om in de winkel te werken en het huishouden met ijzeren hand te regeren. Ze heeft één uitlaatklep: het plaatselijke amateurtoneel waar ze, als we haar zoon mogen geloven, grote successen boekt. Ze heeft ook haar zwakke plekken: hypochondrie, sherry en – soms in combinatie met die andere twee – de momenten waarop ze haar theatrale methoden en technieken het dagelijks leven binnenvoert.

Een grappige, maar eigenlijk helemaal niet zo leuke vrouw. Het is materiaal waar Lanoye een dodelijk portret van had kunnen maken, of een ‘kwaadaardige kattebel’, maar dat is Sprakeloos niet. In de eerste plaats door het wrede levenseinde van de moeder, die op een avond na de pizza plotseling haar spraakvermogen verliest en als een dolle stier haar echtgenoot aanvliegt. Het zal de opmaat worden voor meer van dergelijke aanvallen, licht herstel en een onafwendbare neergang.

Die is vooral zo pijnlijk, en zo pijnlijk voor haar zoon, omdat die met taal te maken heeft. Want taal is juist wat Tom Lanoye van haar heeft meegekregen. Ook in het boek citeert hij haar vaak en scherp, de stem waarmee hij het verhaal vertelt is de stem die hij aan haar te danken heeft. Daarom ook is hij zo gekwetst door de wrede wijze waarop het lot haar die taal heeft ontnomen: door haar afasie is zijn band met hem doorgesneden.

Het is haar stilte die hij wil goedmaken in deze op theatrale toon – dat was misschien al opgevallen – geschreven roman. Afgezien van de momenten dat het allemaal al te larmoyant wordt (welbewust over the top is ook over the top) is Lanoye daarin geslaagd: Sprakeloos is onderhoudend en ontroerend. Het is ook een boek waarin toon en inhoud op elkaar aansluiten: het pathos waarmee Lanoye vertelt past bij het rauwe verdriet om een dode ouder. Het is wat dan ‘een monument voor een overleden moeder’ heet en zo zal het wel ergens worden genoemd, waarna de uitgever het op de achterflap van de (welverdiende) tweede druk kan zetten.

Toch is dat het verkeerde etiket. Want veel meer dan zijn moeder onderzoekt Lanoye in Sprakeloos zichzelf. En dan niet de zoon Lanoye, maar de schrijver Lanoye. Achter de schmierende uithalen over hoe dit boek bijna, bijna niet en uiteindelijk wel geschreven kon worden, zie je een schrijver die de balans opmaakt: dit boek gaat over literatuur.

Wat Lanoye hartstochtelijk verdedigt – aan het einde volgt nog een plotselinge filippica tegen het adagium less is more – is het theatrale karakter van zijn werk. Nu heeft hij dat wel eerder gedaan. „Ik ben een acteur in het lijf van een schrijver”, zei hij twee zomers geleden. Maar zelden gebeurde het zo principieel. Dat theatrale aspect zit in de overdrive waarin zijn verhalen verteld worden, maar ook in de overtuiging dat literatuur uiteindelijk net zo vergankelijk is (of zou moeten zijn) als een optreden. Een paar keer in Sprakeloos verzet Lanoye zich tegen de gedachte dat literatuur iets blijvends zou opleveren – of dat zou moeten ambiëren. En de dode moeder gebruikt hij als krachtigste argument: tegen een lijk is geen taal gewassen.

Maar misschien ook tegen de wereld niet. Want juist in veel van Lanoyes eerdere romans, waarin de wereld een prominente rol had, verliep het samengaan tussen inhoud en vorm moeizaam. De sterke stemmen waarvan hij zich in zijn ‘Monster-trilogie’ en in Het derde huwelijk bediende, gaven die boeken schwung, maar tegelijkertijd leek hij in wat hij beschreef, steeds net iets meer aan de buitenkant te blijven dan je zou willen. Zozeer dat je je ging afvragen of Lanoye niet te veel wilde: al zijn theater en de heel wereld in een enkele roman – een disbalans waar hij in zijn toneelwerk en ook in zijn columns veel minder last van leek te hebben.

‘Dit mag en zal geen bellettrie worden’, schrijft Lanoye al vroeg in Sprakeloos. Dat is een rookgordijn. Hoe verder je leest, hoe hechter de compositie blijkt. Lanoye mag zijn anekdotes schijnbaar willekeurig de wereld in slingeren, ze grijpen allemaal in elkaar.

En hij mag strooien met namen, vergelijkingen en kleine interpretaties – af en toe houdt hij zijn kaken op elkaar. Zo verzwijgt Lanoye in ál die opmerkingen over het ontstaan van dit boek een van de opmerkelijkste: dat ook Hugo Claus, in veel opzichten Lanoyes literaire vader, tijdens het schrijfproces van Sprakeloos overleed. En dat Claus hetzelfde overkwam als Lanoyes moeder: eerst werd hem zijn taal ontnomen (bij Claus door Alzheimer), daarna het leven.

Sprakeloos is ook een afscheid van Claus, de reus die in toneel, poëzie en proza bakens verzette. Misschien wel vooral van Lanoyes verlangen om net zo’n alleskunner te zijn als Claus.

Zelf kiest de 51-jarige in dit boek zo nadrukkelijk en expliciet voor het theatrale, het extravagante en vergankelijke in de literatuur, dat het alle trekken van een programma heeft. Lanoye wil de taal laten vloeien, niet om de dood te bestrijden of om aan de regels van het literaire spel te voldoen, maar omdat zwijgen geen goud is. Vandaar ook het laatste woord van deze roman: ‘Begin.’