Stuifsneeuw snoepen

Als de zeven dwergen thuiskomen, die van Sneeuwwitje, dan zien ze meteen dat er iemand in hun huisje is geweest. Ze roepen dingen als: „Wie heeft er uit mijn kroesje gedronken?” of „Wie heeft er van mijn bordje gegeten?”

Wij weten wel wie dat was: Sneeuwwitje.

Maar wat at ze dan eigenlijk? Dat weten we niet. Hoewel – toch wel:

„Ze vond (…) een pan met een dikke koude brij op de kachel. Eerst at ze uit de pan, maar toen schepte ze met de kom wat op een bord. Geen idee wat voor soort pap of soep het was, zoiets modderigs had ze nog nooit gegeten.”

Zo schrijft Wim Hofman het in zijn Zwart als inkt is het verhaal van Sneeuwwtije en de zeven dwergen. Sneeuwwitje is natuurlijk doodmoe na die hele tocht door het bos waarin de jager haar heeft achtergelaten, en ze heeft vreselijke dorst en honger. Daarom eet ze die rare gronderig brij wel. Een soort bonenpap is het. Hu.

Het is Kinderboekenweek deze week en die week gaat dit jaar over eten en snoepen, en over lezen natuurlijk. Eetlezen, dat is het eigenlijk. Lezen terwijl je eet. Eten terwijl je leest. Lezen over eten. Dat soort dingen.

Van sommig lezen krijg je trek – ik las een keer in een boek dat een meisje tussen de middag als ze thuiskwam van school een ‘macaronischoteltje’ kreeg. Ai, wat jaloersmakend! Macaroni is al lekker. En dan tussen de middag, in plaats van een saai boterhammetje. En dan ook nog met het woord ‘schoteltje’. Dat klinkt heel duidelijk naar iets uit de oven, iets met zo’n lekker korstje erover met kaas erin, en dat de macaroni daaronder dan heel zacht is en van die lekkere kleffe geluiden maakt als je er met een lepel doorheen gaat. Ik kon helemaal niet meer verder lezen. Ik moest gewoonweg een macaronischoteltje hebben.

Maar ja, je kunt moeilijk tegen je vader of moeder krijsen: „Ik moet een macaronischoteltje!”

En dan moet je dus weer leren koken en je zat net zo lekker te lezen.

Sneeuwwitje is geen verhaal waarin verder veel gegeten wordt, behalve dan natuurlijk die vergiftigde appel, die gelukkig in Sneeuwwitjes keel is blijven steken zodat ze niet vergiftigd wordt. Je moet er trouwens ook niet aan denken om heel lang een stuk appel in je keel te hebben. Dan is het maar beter om bewusteloos te zijn.

Hoog tijd voor een ander soort eetlezen – over taarten bijvoorbeeld. Dus hup we jagen die enge jager uit het bos en daar komen de dieren van Toon Tellegen aan, die veel taarten maken. En soms ontmoeten ze zelfs zomaar een taart, zonder er eerst iets voor te hoeven doen. De ijsmug bijvoorbeeld, die ontmoet een taart van stuifsneeuw.

Nu ja, er niets voor hoeven doen is niet helemaal waar: de ijsmug was eerst bijna omgekomen. Denkt-ie tenminste. „Omkomen leek hem iets verschrikkelijks”. De ijsmug heeft al heel lang niets te eten gehad en dan ligt hij daar in de sneeuw, wit en mager en dan plotseling ruikt hij iets heerlijks en hij voelt iets warms en dan neemt hij een hapje – want dat doe je als er iets lekkers en warms in de buurt is – en dan is het een heerlijke stuifsneeuwtaart. En dan weet hij ineens zeker dat hij niet zal omkomen. „Omkomen? Ik? Nooit!”

Ja zo kan dat gaan als je eetleest. Ineens zit je stuifsneeuw te snoepen, terwijl je net nog een giftige appel uit moest spugen. Het is druk, maar wel leuk. En lekker ook.

Ik heb honger gekregen. Gauw, geef me een boek!