Niemand ontkent de noodzaak

In Kopenhagen wordt in december onderhandeld over een opvolger voor ‘Kyoto’.

In Bangkok was deze week de generale repetitie.

Het werk van Yvo de Boer bestaat vooral uit het uitdelen van complimenten en het geven van reprimandes. Inmiddels heeft hij daar bijna een dagtaak aan, want de Nederlander is de hoogste baas van het klimaatbureau van de Verenigde Naties. Dat is verantwoordelijk voor de grote conferentie die aan het eind van het jaar in Kopenhagen tot een nieuw klimaatverdrag moet leiden. Het oude akkoord, dat in 1997 in Kyoto werd gesloten, loopt in 2012 af.

De afgelopen twee weken was het klimaatcircus bijeen in Bangkok. Het was een van de laatste mogelijkheden voor Kopenhagen om de moeizame onderhandelingen vlot te trekken. De ene dag waarschuwde De Boer dat de onderhandelingen in het huidige tempo veel te traag verlopen. De volgende dag was er een compliment voor China dat bereid lijkt om relatief vergaande maatregelen te nemen.

Woensdag waren er even complimenten voor álle 180 landen in Bangkok. „Er is een begin van een constructieve discussie over de financiering”, zei De Boer. Voor het eerst in twee jaar was serieus vooruitgang geboekt, vond hij. De onderhandelaars hadden het oog van de onderhandelingsorkaan bereikt.

Langzaam doemde volgens hem de architectuur van een akkoord op. Ook prees De Boer „de bereidheid om – in ieder geval in theorie – te praten over […] alle goede elementen uit het verdrag van Kyoto”. Sommige landen willen daar liever van af maar, zei hij, „als ik maar één paar schoenen heb, is het verstandig om daarin te blijven lopen”.

In die optimistische woorden van De Boer klonk echter ook de complexiteit door van de huidige klimaatonderhandelingen. Niemand twijfelt nog aan de noodzaak iets te doen aan de steeds verder opwarmende aarde. Niemand ontkent dat daarvoor de uitstoot van broeikasgassen fors moet worden teruggedrongen. Iedereen beseft dat dit een enorme krachtsinspanning zal vragen van alle landen, die veel geld gaat kosten. En zelfs als het lukt, zal de opwarming niet meteen stoppen en zal de schade op sommige plaatsen mogelijk groot worden.

En toch lijkt de wereld maar moeilijk in staat te zijn om het eens te worden over een gezamenlijke aanpak. De Verenigde Staten herhalen dat alle landen een bijdrage moeten leveren. En met alle landen bedoelen ze vooral China. Onlogisch is dat niet, want China opent momenteel bijna iedere dag wel ergens een nieuwe kolencentrale. Het land produceert inmiddels meer kooldioxide dan welk ander land ook, zelfs meer dan de VS.

Maar China vindt dat de rijke landen de historische verantwoordelijkheid hebben om het probleem op te lossen, dat ze zelf in het verleden hebben veroorzaakt door onbelemmerd de atmosfeer vol te pompen. China en andere opkomende economieën zijn aan de beurt om te groeien en accepteren voorlopig geen dwingende beperkingen, al was het maar omdat ze die economische groei hard nodig hebben om de armoede in hun land te bestrijden.

De VS vrezen dat westerse bedrijven hun heil in ontwikkelingslanden zullen gaan zoeken, als ze in eigen land te veel moeten betalen voor de kooldioxide die ze uitstoten. Dan helpt een klimaatakkoord dus helemaal niets. Sterker nog, als bedrijven terechtkomen in landen die het minder nauw nemen met milieumaatregelen is de aarde per saldo alleen maar slechter af.

China, India en andere landen stellen daar tegenover dat de rijke landen per hoofd van de bevolking nog steeds veel meer kooldioxide uitstoten dan zij. Een gemiddelde Amerikaan is verantwoordelijk voor bijna 20 ton CO2 per jaar. Europeanen leven zuiniger maar zitten nog steeds op meer dan 10 ton, Chinezen komen niet verder dan de helft daarvan. Indiërs hebben aan ruim 2 ton genoeg en de gemiddelde CO2-uitstoot van inwoners van de allerarmste landen is verwaarloosbaar klein.

Gelet op deze onrechtvaardigheid zijn ontwikkelingslanden alleen bereid om iets te doen aan hun klimaatvervuiling, als ze daarvoor geld krijgen van de rijke landen. Arme landen eisen dat de geïndustrialiseerde landen hun schone technologie met hen delen. Daarnaast moeten de rijke landen betalen voor de schade in de arme landen als gevolg van de opwarming van de aarde. Volgens een recente schatting van de Wereldbank zullen de kosten 47 tot 62 miljard euro per jaar bedragen.

Maar in tijden van crisis is de vrijgevigheid van rijke landen beperkt. Zelfs de EU, in het verleden altijd bereid te betalen, is voorzichtig geworden met toezeggingen. Want de kosten die gemaakt moeten worden om te voldoen aan het Kyoto-protocol, kunnen flink uit de hand lopen.

Misschien is het daarom het beste, zeggen sommigen, het Kyoto-protocol – zoals het bestaande verdrag officieel heet – verder te vergeten. Vooral de Amerikanen willen ervan af. Zij beschouwen het als een sta-in-de-weg voor deelname van China, India en andere opkomende economieën. Om die reden willen ontwikkelingslanden juist koste wat het kost vasthouden aan Kyoto. Het biedt hun een garantie dat ze voorlopig geen verplichtingen op zich hoeven te nemen.

Maar president Barack Obama zal nooit voldoende steun krijgen in de Senaat voor iets dat lijkt op het Kyoto-protocol. Europa beseft dat nu ook en is bereid die concessie te doen om de VS binnenboord te houden. Niet voor niets herinnerde een EU-onderhandelaar in Bangkok er gisteren aan dat de CO2-uitstoot sinds Kyoto alleen maar is gestegen.

Al met al is de kans dat er op 18 december, als de klimaatconferentie in Kopenhagen eindigt, een nieuw verdrag ligt heel klein geworden. Dat hoeft niet erg te zijn, zeggen betrokkenen, want de meeste landen hebben wel allerlei toezeggingen gedaan om iets aan het klimaat te doen. Maar de vraag is wat die waard zijn zonder een stevige stok achter de deur.