Landschap voor zelfmoordenaar

Tentoonstelling: De wijde blik. De Haagse School en het moderne Nederlandse landschap. T/m 6 december in de Kunsthal, Westzeedijk 341, Rotterdam. www.kunsthal.nl * * * *

De Kunsthal in Rotterdam presenteert Haagse School-schilderijen uit het Rijksmuseum en de Neue Pinakothek in München, gecombineerd met negentiende-eeuwse foto’s uit het Rijksprentenkabinet. Voor zo’n tentoonstelling is de Kunsthal – een tentoonstellingsgebouw zonder eigen collectie – de aangewezen plek.

We zien in Rotterdam dus even de Haagse School-topstukken terug die vroeger altijd in Amsterdam op zaal hingen. De stilistisch nog tussen Romantiek en impressionisme in hangende landschappen van Gerard Bilders, de ‘licht vangende’ witte koeien en eenden in hoog gras van Willem Maris en de uitgestrekte lege polders van Willem Roelofs en Paul Gabriël.

Uit München komen minder schilderijen, vaak van minder bekende schilders die eigenlijk net niet tot de Haagse School behoren, maar wel in eenzelfde idioom werkten. Een Polderlandschap bij dooi (1888) van de jonggestorven Eduard van der Meer is een van de verrassingen. Een pad van modder en sneeuw loopt midden in het schilderij van de voorgrond naar de verte. Het lijkt wel een Armando, maar dan een eeuw ouder. Links in beeld staan een paar strak geschilderde boerenhuizen en schuren op een kluitje, en daarnaast een brede sloot, zo stil en somber dat een zelfmoordenaar er wel raad mee zou weten.

Mooi dramatisch is ook het Dorp in de duinen (1885-90) van Julius van de Sande Bakhuyzen. Dat dorp – waarschijnlijk Scheveningen – ligt heel in de verte als een lichte streep tussen een blauwgrijze onweerslucht en een donker, onheilspellend duingebied. Dat Van de Sande Bakhuyzen zich kon meten met de beroemdste Haagse School-schilders, blijkt ook uit zijn Drentse heidelandschap met bomen aan het einde van een zomerdag. De schaduwen winnen terrein, maar het land is nog warm.

De negentiende-eeuwse foto’s die in de Kunsthal tussen de schilderijen hangen, maken in een paar oogopslagen duidelijk hoe groot het contrast was tussen het pittoreske, stille Nederland dat de Haagse School in verf wilde bewaren en de industriële en infrastructurele vernieuwingen die de vroege fotografen tot onderwerp kozen. Op de foto’s worden spoorwegen aangelegd, bruggen gebouwd en kanalen gegraven. Ze relativeren het beeld dat de schilderijen geven van het Nederlandse landschap omstreeks 1880.

Maar ze hangen toch ook met die schilderijen samen. Wie de folders en affiches van de eerste tram- en treinmaatschappijen bekijkt, die ook in de tentoonstelling zijn opgenomen, begrijpt dat de nieuwe verbindingen er onder andere waren om vanuit de steden snel in de provincie te kunnen komen, op de hei en in het bos. Tegelijk met de verstedelijking en de industrialisatie ontstond de behoefte om soms even aan het hectische, lawaaiige stadsleven te ontsnappen. De spoorwegbedrijven kwamen aan die behoefte tegemoet met dagtochten en treinvakanties, de Haagse School-schilders kwamen eraan tegemoet met schilderijen.

Die schilderijen doen ook vandaag de dag nog uitstekend dienst. De bezoeker van de Kunsthal kan, midden in de Randstad, toch even files en volle trams, OV-chipkaart en parkeermeters, economische crisis, kinderopvang en onbeantwoorde mail achter zich laten en uitwaaien in een wereld van licht en lucht, weer en wind.