In den beginne was er wel degelijk iets

De eerste zin van de oude vertrouwde Bijbelvertaling klopt niet.

Dat zegt Ellen van Wolde vandaag bij haar inauguratie.

‘In het begin schiep God hemel en aarde’. Zo is het eerste vers van het eerste hoofdstuk van het bijbelboek Genesis altijd vertaald. Fout, zegt Ellen van Wolde, hoogleraar exegese van het Oude Testament aan de Radboud Universiteit. Er staat eigenlijk iets anders. Het Hebreeuwse woord bara, het tweede woord van vers 1, moet niet met ‘scheppen’, maar met ‘scheiden’ worden vertaald. Dan staat er: ‘in het begin scheidde God hemel en aarde’. En dat betekent dat er al iets was voordat de schepping begon.

Vandaag spreekt Ellen van Wolde haar inaugurele rede uit in Nijmegen. Daarin analyseert ze de Hebreeuwse grondtekst van Genesis en weet ze haar alternatieve vertaling aannemelijk te maken. Zo vermeldt ze een hele reeks andere plaatsen in het Oude Testament waar het werkwoord bara voorkomt en laat ze zien dat ‘scheiden’ ook daar de meest voor de hand liggende vertaling is. Verder citeert ze scheppingsverhalen van het oude Mesopotamië, uit de tijd dat Genesis is ontstaan, waarin de godheid aan het begin der tijden hemel en aarde van elkaar scheidt.

Volgens Van Wolde’s interpretatie van Genesis zijn hemel, aarde en water oorspronkelijk één, haalt God ze uit elkaar en geeft hij ze een afzonderlijke plaats in het universum. Daaruit zou je kunnen concluderen dat het boek niet over ‘het absolute begin’ gaat. En inderdaad, volgens Van Wolde dachten mensen in de tijd dat Genesis ontstond, zo’n zeven, acht eeuwen voor Christus, niet dat er ‘in den beginne’ niets was. Uit Genesis valt op te maken dat ze zich oerwateren voorstelden, waarin zeemonsters leefden. De Nijmeegse hoogleraar komt dan ook tot de conclusie dat er in het boek geen sprake is van een ‘schepping uit het niets’ (creatio ex nihilo), wat in haar eigen katholieke kerk nog steeds als leerstuk geldt,

Van Wolde’s vertaling van het woord bara is nieuw, maar andere conclusies in haar oratie zijn dat niet. Onderzoekers van het Oude Testament stelden al in de jaren vijftig vast dat in de voorstellingswereld van het oude Nabije Oosten scheppen neerkwam op scheiden, de dingen hun plaats geven. Evenmin nieuw is de opvatting dat mensen in de oudheid geen voorstelling hadden van het ‘niets’. Daarom hadden ze ook geen theologie van een 'schepping uit het niets’. De katholieke kerk ontleent die creatio ex nihilo overigens niet aan Genesis, maar aan een passage uit het Tweede Boek der Makkabeeën, dat door protestanten als apocrief wordt beschouwd.

Van Wolde’s exegese vindt steun in veel oorsprongsmythen, ook buiten het Nabije Oosten. Bijna altijd bestaat er al een mythische wereld vóór de schepping van zon, maan en sterren, vóór het ontstaan van de levende natuur en van de mens. En de wereld ontstaat in die verhalen altijd uit iets dat er al is. Dat hangt samen met de grenzen van het menselijke voorstellingsvermogen. In de loop van de culturele evolutie duidden mensen het onbekende naar analogie met het bekende. En er is niks dat model kan staan voor het ‘niets’.

Voor belijdende joden en christenen bevat Van Wolde’s bijbellezing eigenlijk niets dat hun geloof aan het wankelen zou kunnen brengen. Ook al waren er vóór de schepping al woeste wateren, Hij was het die orde bracht in de chaos. En daarmee blijft Hij de Schepper.