'Ik werd mijn personages zat'

Ook in Nederland is ‘De eenzaamheid van de priemgetallen’ van de Italiaan Paolo Giordano een groot succes. „Mijn jeugd is de belangrijkste tijd van mijn leven geweest.”

Paolo Giordano is een knappe Italiaanse jongeman, maar hij kan tussen een groep mensen staan alsof hij zich een beetje verstopt. Dat is niet alleen verlegenheid. Hij lijkt zich ook niet volledig in het circus van de literaire roem te willen storten. Van zijn debuutroman De eenzaamheid van de priemgetallen werden in Italië ruim een miljoen exemplaren verkocht en in Nederland ongeveer 250.000. Daarmee is Nederland het land waar hij buiten zijn geboorteland het meeste succes heeft.

Afgelopen weekend bezocht hij in Amsterdam een aantal boekhandels. Onder meer de Island Bookstore in de Westerstraat, die al maanden een ‘niet goed, geld terug’-actie met zijn boek heeft lopen: 1.600 verkochte exemplaren in één winkel. Giordano – grijze trui, spijkerbroek, gympies – stond er kalm tussen de opgewonden vrouwelijke fans die niet alleen het boek uitvoerig prezen, maar ook zijn kapsel (‘wat langer en sexier dan op het boek!’). Hij werd met Johnny Depp vergeleken, moest voorin één boek een liefdesverklaring schrijven en kreeg het boek Taal is zeg maar echt mijn ding van cabaretière Paulien Cornelisse aangeraden. Hij liet het allemaal over zich heenkomen alsof er een kracht groter dan hijzelf aan het werk was. „Net een feestje”, zei hij.

Een dag eerder sprak ik hem onder wat rustiger omstandigheden.

Hoe is het om ineens veel interviews te moeten geven?

„In het begin erg moeilijk. Want (lachend) ik ben niet héél verlegen, maar wel een beetje verlegen. Ik word er heel moe van om over mezelf te praten. Ik heb het gevoel dat ik dan opdroog. En dat ik meer moet geven van iets wat ik al heb gegeven, in het boek, en dat het snel moet – als je schrijft, heb je de tijd. Ook voor een groot publiek spreken vond ik heel moeilijk; daarvoor heb ik me wel moeten forceren. Ik ben geschikter voor solitair werk. Maar je leert er ook veel van. Je hebt heel snel door wat de belangrijke gebieden van je leven zijn die je moet beschermen.”

Waarover je niet moet praten in interviews?

„Precies.”

Over je boek dan. Je hoofdpersoon Alice heeft anorexia. Je beschrijft die ziekte heel mooi terloops. Bijzonder voor een man.

„Anorexia is een persoonlijke, geheime wereld die een meisje om zich heen bouwt. Ik ben gefascineerd door het feit dat die meisjes zoiets geheims tegelijkertijd als het allerbelangrijkst in hun leven beschouwen. Mijn manier om die wereld te betreden was via een vriendin die jarenlang aan deze stoornis heeft geleden. Ze vertelde me feiten en anekdotes. En nooit heel dramatisch: ze maakte het altijd een beetje belachelijk. Ik heb haar verhalen samengevoegd met mijn personage.”

Je beschrijft de jeugd van je personages als een vreselijke, traumatiserende tijd. Zie je de kindertijd in het algemeen zo?

„Nee, ik idealiseer mijn eigen jeugd, ik ga er heel vaak naar terug in gedachten. Het is de belangrijkste tijd van mijn leven geweest, de tijd dat ik het meest in contact was met het leven, de dingen het meest intens ervoer. En ik denk dat ik langzaam dat contact heb verloren. Maar we zijn er te veel aan gewend om alleen dat ideale deel van de kindertijd te zien. Daarom richt ik me in het boek juist op de pijn.”

Mattia en Alice komen niet helemaal over hun pijn heen. Denk je dat mensen de trauma’s uit hun kindertijd nooit kunnen overwinnen?

„Eh... ja, dat denk ik. Mattia en Alice hebben allebei te vroeg een te grote pijn ervaren. Alsof ze ooit een monster hebben gezien dat ze niet meer vergeten – ze dromen er elke nacht over, voor de rest van hun leven. Dat gevoel kent iedereen tot op zekere hoogte. Zij hebben wel heel grote, angstaanjagende monsters ontmoet, maar ik denk dat iedereen die pijn kan begrijpen, en dus ten minste een beetje daarvan in zich heeft. En het feit dat mijn personages zo diep getraumatiseerd zijn werkt, denk ik, ook troostend. Mensen kunnen het gevoel begrijpen, maar ook denken: zo erg is het bij mij niet.”

Je had moeite met het schrijven van het eind van je boek, las ik. Vond je het moeilijk om hen te laten gaan?

„Het deel waar ze volwassen zijn, voelde alsof het nog steeds aan het gebeuren was. En dat het maar door kon gaan. Ik moest beslissen waar het moest eindigen, en dat was moeilijk. Maar ik was mijn personages ook wel een beetje zat, bijvoorbeeld hun onvermogen om zich over dingen heen te zetten. Ik vond het ook niet alleen maar leuk om aan het filmscript te werken. Dan moet je weer over hen nadenken. Zij konden een stap niet zetten die ik wel had gemaakt.”

Bedoel je dat je vroeger op hen leek?

„Ja, ik heb altijd wel op hen geleken. Dat je de hele tijd om dezelfde dingen heen cirkelt, in jezelf. Maar, tja, die dingen veranderen langzaam.”

Als je volwassen wordt.

„Ja.”

Vertel eens iets over jezelf. Je bent geboren in Turijn...

Hij leunt wat ongemakkelijk achterover. „Ja, daar heb ik altijd gewoond, gestudeerd, ik werk er aan mijn proefschrift. Ik was heel bang om in een ander land te gaan werken.”

Maar je bent kennelijk niet bang om zoiets te zeggen.

Hij haalt zijn schouders op. „Nee, het is gewoon zo. Ik was bang om alleen te zijn, om in een emotionele woestijn terecht te komen. Natuurkundigen zijn vaak niet erg sociale mensen.”

Had je een aanbod gehad van een goede buitenlandse universiteit, zoals Mattia in het boek?

„Nee, maar ik had de kans om weg te gaan. Toch was ik te bang. Nu zou ik het wel willen proberen. Ik ben nu minder angstig. Ik voel me nu veel lichter, door mijn carrièreswitch – ik ga mijn proefschrift wel afmaken, maar ik ben nu gelukkig schrijver. Ik was altijd gefrustreerd dat ik niet goed genoeg was om iets te ontdekken wat er echt toe zou doen. Dat hebben veel wetenschappers.”

Waar gaat je proefschrift precies over?

„Dat is niet gemakkelijk uit te leggen. Het gaat om een probleem dat te maken heeft met het feit dat de wereld uit materie bestaat en niet uit antimaterie. Bij het begin van het universum was er evenveel materie als antimaterie, en materie heeft gewonnen. Om dat te verklaren, moet je de asymmetrie in het verval van bepaalde deeltjes en antideeltjes onderzoeken. Je laat deeltjes met grote snelheid op elkaar botsen. Uit de deeltjes die overblijven, moet je dan afleiden hoe deeltjes vervallen. Daar zijn modellen voor, en daar kun je bewijs voor of tegen vinden.”

In zulke beschrijvingen kun je gemakkelijk metaforen zien. Deeltjes die botsen als mensen die botsen, de strijd tussen materie en antimaterie als die tussen goed en kwaad, eenzame mensen als priemgetallen...

„Ja, de wetenschap biedt veel metaforen. In het boek gebruik ik er ook veel.”

Oorspronkelijk wilde je het boek ‘Het water in en uit’ noemen. Eerlijk gezegd vind ik dat mooier; het voelt wat te gemakkelijk om die priemgetallen in de titel te noemen.

„Dat vond ik zelf ook. Ik vond dat ik mijn achtergrond ermee uitbuitte. Mijn uitgever heeft me er echt van moeten overtuigen. De meeste mensen weten niets van wiskunde; voor hen is het iets magisch, mysterieus. Daarom werkt die titel goed. En mijn titel ging over ideeën die uiteindelijk niet helemaal in het boek terecht zijn gekomen. Dus geleidelijk heb ik ook begrepen dat de titel die mijn uitgever bedacht had, exacter is.”

Paolo Giordano: De eenzaamheid van de priemgetallen. Vertaling: Mieke Geuzebroek en Pietha de Voogd. Cargo, 318 blz. € 18,90