'Ik schrijf je bij mijn volle verstand'

Deze week verscheen ‘Vincent van Gogh. De brieven’. Zes schitterende boeken met alle overgeleverde brieven van en aan de schilder. Zijn aanstekelijke levensvisie komt vooral in de latere brieven naar voren: de doodgewoonste dingen zijn de moeite waard zodra je ze intens bekijkt, intens schildert en intens beschrijft.

Leo Jansen, Hans Luijten en Nienke Bakker: Vincent van Gogh. De Brieven. De volledige, geïllustreerde en geannoteerde uitgave. Amsterdam University Press, zes delen in cassette, 2.180 blz. € 325,- (na 1 januari € 395,-).

Het eerste wat opvalt aan de nieuwe uitgave van de brieven van Vincent van Gogh (1853-1890), is dat ze allemaal geïllustreerd zijn. Alle schilderijen, tekeningen en prenten die hij noemt, zijn naast de betreffende brief afgebeeld – en dan zowel de werken van hemzelf als die van andere kunstenaars, want Van Gogh zag veel. Op tentoonstellingen, in ateliers of gewoon als reproductie. Nou ja, gewoon: in de jaren zeventig en tachtig van de 19de eeuw was een reproductie nog iets bijzonders. Schilderijenreproducties waren zwart-witplaatjes, en niet eens altijd foto’s, maar vaak ook geëtste of gelithografeerde kopieën.

In 1877 gaven Vincent en Theo van Gogh hun moeder samen een reproductie voor haar verjaardag, zo blijkt uit een brief waarin Vincent ‘een couponnetje van f. 1.23½’ voor zijn broer bijsluit. ‘Het is niet veel maar alles wat ik heb, als Gij er evenveel bijlegt dan kunnen wij er echter eene goede Photographie voor hebben.’ Twee geschikte reproducties zijn alvast onbetaalbaar, weet Vincent: ‘Le Christ marchant sur la mer van Jalabert is weer duurder, daar had ik anders aan gedacht en weer heel veel duurder zijn de Emmausgangers van Rembrandt.’

In de nieuwe editie van Van Goghs brieven staan ongeveer 4.300 afbeeldingen, als het even kon in kleur, en voortreffelijk gedrukt ook nog. Bladerend door de zes dikke delen is het verleidelijk je voor te stellen hoe Van Gogh ze zelf zou hebben bekeken. Om Jules Deelder te parafraseren: als ’ie al niet gek was, dan werd ’ie het alsnog.’

Maar de schilder zou er vast ook verguld mee zijn geweest. Hij had namelijk een sterke behoefte aan illustraties bij wat hij schreef. Geregeld liet hij beschrijvingen van pas gemaakte schilderijen vergezeld gaan van tekeningetjes, soms met kleuraanduidingen om zijn correspondenten een nog betere indruk te geven. ‘Geel’ staat er dan in de zonnestralen geschreven, ‘oud goud’ bij het graan, ‘blauw’ op de kiel van een zaaiende boer. Alle brieven met tekeningen zijn in de nieuwe editie in facsimile afgebeeld. En grappig genoeg staat nu dus vlakbij zo’n briefschets steeds een kleurenfoto van het schilderij dat Van Gogh bedoelde, zodat je kunt zien hoe hij zijn eigen werk in lijn en op klein formaat samenvatte.

Het mooie van al die afbeeldingen is natuurlijk dat je als lezer onmiddellijk ziet wat Van Gogh beschrijft. In vroegere uitgaven van de brieven moest je de afbeeldingen er desgewenst zelf bij zoeken in een ander boek of op internet. Nu gaat je blik telkens van de tekst naar de plaatjes en weer terug, en hoor je Van Gogh als het ware zijn eigen schilderijen toelichten terwijl je ernaar kijkt.

Een ander voordeel van de reproducties is dat je beseft hoe ver hij als kunstenaar was toen hij bepaalde brieven schreef. Bij de tussen 1872 en 1880 geschreven brieven zijn alleen maar werken van andere kunstenaars afgebeeld. Daar heeft Van Gogh het dan over omdat hij ze als museumbezoeker of als jonge kunsthandelaar heeft gezien, en later omdat hij als beginnend predikant zijn eigen geloofsbeleving weerspiegeld ziet in de schilderijen van bijvoorbeeld Rembrandt, Ary Scheffer of Jean-François Millet.

Na juni 1880 verschijnen er steeds meer hartverscheurend houterige tekeningen van hemzelf naast de tekstkolommen en vanaf december 1881 ook schilderijen, die steeds beter worden. In de vier delen met brieven uit de laatste acht jaar is te lezen én te zien hoe Van Gogh zich als schilder razendsnel ontwikkelt.

Zijn verzamelde brieven zijn te lezen als een soort autobiografie, en de grote lijn daarin is Van Goghs tomeloze energie. Wat hij ook doet, hij legt altijd een opmerkelijke gedrevenheid aan de dag. Als hij in 1875 werk begint te maken van zijn geloof, is hij binnen de kortste keren religieus op het godsdienstwaanzinnige af. Hij woont soms vier kerkdiensten per dag bij.

Naast de brieven uit die jaren stikt het van de voetnoten die verwijzen naar de Bijbelboeken waaruit hij citeert. Dat is trouwens ook een groot verschil met eerdere uitgaven: in de nieuwe is de herkomst van alle citaten en parafrases in noten vermeld.

In 1880 besluit Van Gogh kunstenaar te worden en vanaf dat moment staat zijn geestdrift vooral in dienst van het tekenen en schilderen. Als je wel eens denkt dat je veel te doen hebt, lees dan een paar van Van Goghs brieven en zie hoe veel werk hij per dag verzet, en hoe uitvoerig en scherpzinnig hij daar aan het einde van zo’n dag nog over schrijft.

Hij was manisch, natuurlijk, en daarmee vaak dwingend en vermoeiend voor de mensen om hem heen. Vandaag de dag zouden die mensen niet altijd opnemen als ‘Vincent mobiel’ op het schermpje van hun telefoon verscheen. Voor je het weet ben je anderhalf uur verder. Maar op andere momenten hoor je hem graag praten op papier – want dat is wat hij in de brieven meer en meer doet.

Is zijn fanatisme in de eerste brieven soms irritant, later is het vooral inspirerend. Vooral deel drie, vier en vijf zijn zoiets als de Bijbel: waar je ze ook openslaat, je vindt bijna altijd iets bruikbaars. Niet dat je Van Goghs opmerkingen per se letterlijk op je eigen leven kunt toepassen, maar er slaat iets van zijn mentaliteit op je over. Een begeestering of luciditeit waardoor je wat ruimer gaat denken en wat scherper gaat kijken.

In Van Goghs beleving is niets te klein of onbelangrijk om bij stil te staan – zolang dat stilstaan maar oprecht en geconcentreerd gebeurt. In de beschrijvingen van eenvoudige dingen als het weer, het uitzicht en de omgeving, doen zijn brieven aan Nescio’s Natuurdagboek denken. Ze bevatten ook wel eens eenzelfde geouwehoer-waar-Gods-zegen-op- rust als de brieven van Gerard Reve: ‘Je eet hier betere gebakken vis dan langs de Seine, maar je kunt hier niet elke dag vis eten, aangezien de vissers in Marseille gaan verkopen. Maar als er vis is, is die heel lekker.’ Net als Reve geeft Van Gogh zijn correspondenten vaak adviezen voor een gezond en matig leven.

Hans Luijten, een van de redacteuren van de nieuwe brieveneditie, noemt Vincent van Gogh in het laatste nummer van het blad Kunstschrift ‘iemand die zich het liefst bewoog op de begane grond van het leven.’ Zijn verwondering over het alledaagse spreekt niet alleen uit zijn brieven, maar ook uit zijn schilderijen van bijvoorbeeld het gele huis waarin hij woonde, een vaas met afstervende zonnebloemen of een paar vierkante meter grasveld. Van Gogh kon heel blijmoedig naar de grond voor zijn voeten kijken. Al ligt het eigenlijke landschap in de verte, de voorgronden zijn in zijn werk nooit saai. Dit is wat we van Van Gogh kunnen leren: dat de banaalste dingen de moeite waard zijn zodra je ze intens bekijkt, intens vastlegt, intens beschrijft.

Geen wonder dat de schilder af en toe klaagt over pijnlijke ogen. ‘Maar kom,’ schrijft hij zijn broer in oktober 1888, ‘ik heb een goede week achter de rug, met 5 doeken, als dat zich nu een beetje op deze week wreekt, welnu, dat is normaal.’ Een dag later gaat er opnieuw een brief naar Theo. ‘Mijn ogen zijn nog vermoeid, maar enfin, ik had een nieuw idee in mijn hoofd en zie hier de krabbel. Weer een doek van 30. Deze keer is het gewoon mijn slaapkamer.’

Die gewone slaapkamer is een van de beroemdste schilderijen in de geschiedenis van de moderne kunst geworden, juist omdat Van Gogh er zijn hoogstpersoonlijke kijk en stilering op losliet. ‘Enfin, het zien van dit schilderij moet rust geven aan het hoofd, of liever gezegd, aan de verbeelding.’

Bemoedigend is ook een passage uit een brief van een paar weken eerder, aan collega- schilder Emile Bernard. Die laat zich lezen als een verklaring voor Van Goghs hoge productie omstreeks 1888. ‘Maar ik voor mij,’ schrijft hij paradoxaal genoeg, ‘ik heb op het ogenblik nergens haast mee. Plannen, die lopen zo vaak mis, en ook de beste berekeningen die je maakt; terwijl je, als je profiteert van het toeval en van dag tot dag onbevangen doorwerkt, een heleboel onverwachtse dingen maakt.’ Zulke zinnen kun je je als lezer persoonlijk aantrekken. Als je ze tot je door laat dringen, veranderen ze echt even je kijk op het leven. Niet te veel plannen maken, dat neemt maar schrijfruimte in beslag. De dag plukken. Van Gogh heeft het tegen Bernard, maar ook tegen zichzelf en ook tegen ons.

Hier, in deel vier, is hij op zijn best. Het vijfde boek beslaat de laatste anderhalf jaar, waarin Van Gogh zes psychische crises doormaakte. Maar ook in de laatste brieven is er een verstandige man aan het woord. Goed, hij sneed een stuk van zijn oor af en hij was soms weken van de wereld. Maar toch was hij lang zo gek niet, draafde hij lang zo ver niet door als toen hij nog pathologisch religieus was.

‘Ik schrijf je bij mijn volle verstand en niet als een gek, maar als de broer die je kent’, schrijft hij Theo op 19 maart 1889. Hij zit dan ‘al weer dagen lang achter slot en grendel onder bewaking in de isoleercel opgesloten [...], zonder dat mijn schuld bewezen is of zelfs bewijsbaar zou zijn.’

Dertig buurtgenoten in Arles hebben kort daarvoor een petitie aan de burgemeester aangeboden waarin ze erop aandringen dat Van Gogh wordt opgenomen. ‘Het spreekt voor zich dat ik hier diep in mijn hart een heleboel op aan te merken heb. Het spreekt voor zich dat ik me niet kwaad kan maken en dat verontschuldigingen aanbieden in zo’n geval neerkomt op schuld bekennen. [...] Als ik mijn verontwaardiging niet voor me hield, zou ik onmiddellijk voor een gevaarlijke gek gehouden worden.’

Drie brieven later is hij weer even thuis geweest en daar, zo schrijft hij, ‘heb ik kunnen vaststellen dat de eigenlijke buren, degenen die ik ken, niet behoorden tot degenen die dat verzoekschrift hadden ingediend. Trouwens hoe het ook zij, ik heb gezien dat ik onder hen nog vrienden had.’ In een voetnoot voegen de bewerkers van de brieven hieraan toe: ‘De cafébaas Joseph Ginoux en zijn vrouw Marie, met wie Van Gogh bevriend was, hadden de petitie wel degelijk ondertekend.’ Dat is schrijnend om te lezen, maar ook verhelderend, en zo bevatten de annotaties door de hele uitgave heen welkome aanvullingen en verduidelijkingen.

In mei 1889 laat de schilder zich opnemen in een inrichting in Saint-Rémy, waar hij een jaar lang verblijft te midden van ‘vreselijk geschreeuw en gekrijs [...] als van beesten in een dierentuin’. Tussen zijn inzinkingen door probeert hij in zijn brieven zijn eigen toestand te begrijpen en de moed erin te houden. ‘Wat me enigszins troost, is dat ik krankzinnigheid als een ziekte als elke andere begin te beschouwen en het als zodanig aanvaard, terwijl ik tijdens de aanvallen zelf dacht dat alles wat ik me inbeeldde, werkelijkheid was.’

De brieven uit Saint-Rémy gaan de lezer niet in de koude kleren zitten. Je begrijpt Van Goghs radeloosheid: hoe redelijk en kalm hij zijn eigen gekte ook probeert te benaderen, de aanvallen blijven komen (en slaan gaten in zijn correspondentie). Je leeft met hem mee als het in het voorjaar van 1890 eindelijk weer wat beter gaat. In mei verlaat hij de inrichting, nadat hij Theo heeft geschreven dat hij ‘kapot [gaat] van verveling en verdriet’. ‘Waarom, zo vraag ik je, ben je toch zo bang voor ongelukken – daar hoef je niet voor te vrezen [...].’

In de laatste maanden woont Van Gogh in Auvers-sur-Oise, waar hij zich weer vol overgave op het schilderen stort, en tot in de laatste brief wekt hij de indruk dat hij er weer bovenop aan het komen is. Toch overlijdt hij op 29 juli, 37 jaar oud, nadat hij zichzelf in de borst geschoten heeft. Waarom deed hij dat? Gebeurde het in een nieuwe vlaag van verstandsverbijstering, of was hij bang dat zo’n nieuwe vlaag onvermijdelijk was en wilde hij die niet meer meemaken?

Van Goghs zelfmoord blijft een raadsel, dat zelfs in de verbluffend mooie en uitgebreide nieuwe uitgave van zijn brieven niet kon worden opgelost.