'Iedereen wil Berkeley zijn'

Universiteitsbestuurder Robert Berdahl uit de VS gaat adviseren over hoger onderwijs in Nederland. Het Californische model laat zich niet makkelijk exporteren, waarschuwt hij.

Hij weet zo goed als niets van het Nederlandse hoger onderwijs, bekent de Amerikaanse universiteitsbestuurder Robert Berdahl. Maar hij gaat zich er de komende maanden met liefde in verdiepen.

Berdahl (1937) is de opvallendste naam in de woensdag door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen gepresenteerde commissie die onder voorzitterschap van CDA-prominent Cees Veerman de toekomst van het Nederlandse hoger onderwijs gaat onderzoeken. Hij is historicus – gespecialiseerd in de Duitse geschiedenis van de 18de en 19de eeuw – en deed zijn onderzoek onder meer aan Princeton University en het Max Planck Instituut in Göttingen. Van 1993 tot 1997 was hij president van de Universiteit van Texas, van 1997 tot 2005 president van de Universiteit van Californië, Berkeley. Sinds 2006 is hij voorzitter van de Association of American Universities.

Berdahl kent de Amerikaanse universitaire wereld dus van haver tot gort, maar de commissie zal vooral gebruik willen maken van zijn kennis van het zogenoemde ‘Californische model’ (zie inzet). „Vorig jaar had ik nog een delegatie Nederlandse parlementariërs op bezoek. Ze waren erg geïnteresseerd in de inrichting van het hoger onderwijs in Californië.”

Wat is de kracht van dit systeem?

„Het combineert access met excellence: het hoger onderwijs is toegankelijk voor grote groepen studenten, maar biedt tegelijkertijd de allerbesten de kans om zich optimaal te ontplooien.”

De Nederlandse onderwijsminister Plasterk is gecharmeerd van het Californische model. Zou het in Nederland kunnen worden ingevoerd?

„Ik wil nog niet te veel vooruitlopen op mijn bijdrage aan het werk van de commissie, maar wat ik kan zeggen is dat Amerikaanse staten die het Californische model wilden overnemen, op fikse universitair-politieke problemen stuitten. Die kwamen er in het kort op neer dat elke universiteit Berkeley wilde zijn en niemand het community college. Iedere instelling zag voor zichzelf het liefst een plek aan de top van de piramide.”

Hoe manifesteerden die problemen zich?

„Er trad een fenomeen op dat we mission creep noemen. Universiteiten probeerden af te wijken van de hun gestelde doelen. Een universiteit die niet op onderzoek gericht was, wilde zich tot op researchgebied gaan profileren. Dat een instelling zijn positie in de pikorde wil verbeteren is op zich een natuurlijk fenomeen, maar het verstoort de balans die in het Californische model zo belangrijk is.”

In Californië kennen de verschillende universiteiten wel hun plaats?

„Zo zou je het kunnen zeggen, ja. De universiteiten in Californië hebben allemaal een duidelijke opdracht, en daar houden ze zich aan. Het is wel belangrijk om je te realiseren dat de inrichting van het universitaire model in Californië min of meer organisch tot stand is gekomen. Kennelijk is het moeilijk zo’n strenge onderverdeling tussen de verschillende vormen van hoger onderwijs van bovenaf op te leggen, zoals in andere staten is geprobeerd.

„Het is in ieder geval belangrijk dat alle instellingen weten dat het geld eerlijk verdeeld wordt. Niet alle extraatjes moeten naar de topuniversiteiten gaan, en niet alle bezuinigingen moeten op de lagere vormen van hoger onderwijs worden afgewenteld.”

De commissie moet in februari 2010 rapporteren. Gaat dat lukken?

„Het is erg weinig tijd voor zo’n veelomvattend onderzoek. Maar goed, dat is de deadline die is afgesproken. Dus we gaan er keihard aan werken om die te halen.”

Meer over voorstel Plasterk op nrc.nl/binnenland