Hoe God verdween uit de Belgische Kempen

Koen Peeters: De bloemen. Meulenhoff / Manteau, 236 blz. € 22,50 (geb.)

Het contrast kan niet groter zijn. Speelde de vorige roman van Koen Peeters zich af in het Europa van de 21ste eeuw (of liever: de snelle wereld van internationale congressen), zijn nieuwe is gesitueerd in de relatieve rust en lieflijkheid van de Belgische Kempen. En terwijl Peeters’ voor de Librisprijs genomineerde boek getooid was met de ambitieuze titel Grote Europese Roman, heet het nieuwe eenvoudigweg De bloemen.

Dat laatste is niet voor niets. Peeters (Turnhout, 1959) is een schrijver die dol is op systematiek, op rijtjes en reeksen. De hoofdstuktitels in De bloemen zijn voor het overgrote deel genoemd naar een bloem, zoals ze in Grote Europese Roman naar de hoofdsteden van de EU-lidstaten heetten. ‘Wat heb jij toch met bloemen?’ vraagt de vader aan de verteller van De bloemen, in wie wij een 50-jarige schrijver met de naam Peeters herkennen. En die antwoordt: ‘Bloemen staan voor iets tussen mensen. Voor hoe je je leven inricht. En voorbije tijd natuurlijk.’

Ziehier de thema’s van De bloemen: de levensloop van familieleden van verschillende generaties, de manier waarop ze met elkaar omgaan, en de openstaande rekeningen uit het verleden. Op basis van brieven en archiefstukken schrijft de ik-figuur de geschiedenis van zijn grootouders en ouders, van de boerenkinderen Louis en Hortence die als sappelende middenstanders in Gierle twee wereldoorlogen doorstaan tot de politicus René, die in de woelige jaren zestig het slachtoffer wordt van bijna-doodslag door proto-Vlaamsblokkers. Hun verhalen worden doorsneden met kijkjes in het leven van de schrijver Peeters, een bescheiden family man die gedoemd lijkt om de eigenaardigheden en (karakter) zwaktes van zijn voorvaderen te herhalen.

We zijn hier op bekend terrein: de zoete melancholie met een gekarteld randje, de gestileerd-Vlaamse dialogen, de aandoenlijke personages, de kleine luiden tegenover de grote geschiedenis – het is eerder gedaan door schrijvers als Leo Pleysier en Erik Vlaminck (deze week gepasseerd voor de AKO-toplijst) en zelfs geparodieerd door Stefan Hertmans (Naar Merelbeke). Gelukkig is Koen Peeters een jaloersmakend stilist die niet alleen humoristische en elsschottiaanse zinnen schrijft (‘Ooit moest hij, ooit zou hij iemand worden. Hij zou een luide stem opzetten en door het raam springen en wegrennen en handelen zodat iedereen het zag’), maar ook aardig wat verrassingen in zijn 46 hoofdstukjes stopt. Zo speelt God een actieve rol, als de grootmacht die rond de vorige eeuwwisseling nog het leven in Vlaanderen beheerste en die langzaam uit het leven van de Peeters-telgen verdwenen is; op diverse plaatsen in de roman wordt hij door de ik-figuur rechtstreeks en tongue-in-cheek aangesproken. Daarbij worden sommige hoofdstukken onderbroken door een klassiek Vlaams recept, alsof we plotseling verzeild zijn geraakt in een Belgische pendant van Laura Esquivels bestseller Rode rozen en tortilla’s.

Peeters’ achtste roman is een liefdevol portret van een vader en een grootvader, prettig laconiek en schijnbaar van de hak op de tak verteld. Een losjes opgebouwde roman die de ambitie en ook de dwingende compositie mist van Grote Europese Roman. Peeters grossiert in motieven – of het nu flora is of dierenleed, kookkunst of transcendentie – maar het is soms niet duidelijk waar ze toe leiden. Is het een wonder dat je van De bloemen allereerst onthoudt dat het zo mooi geschreven is? Dat je na lezing vooral blijft kauwen op zinnen als ‘Het leven blonk als een bol van het Atomium’ of ‘Helden gaan tegenwoordig niet strompelend maar zittend ten onder’?