Het vervolg waarin Konijn de wortelrevolutie predikt

David Benedictus en Mark Burgess: Terug naar het Honderd-Bunders-Bos. Vertaald door Netty Kruithof. Van Goor, 201 blz. 18,50****

Winnie de Poeh is zo diep verankerd in de kinderliteratuur, dat het ondenkbaar is dat er ooit een tijd was waarin de ‘malle ouwe beer’ niet bestond, en dat het alweer tachtig jaar geleden is dat het laatste Poeh-verhaal van A.A. Milne verscheen. ‘Zullen we er dan 80 seconden van maken? Dan is het net alsof er helemaal geen tijd voorbij is gegaan’, schrijft David Benedictus in de inleiding van Terug naar het Honderd-Bunders-Bos.

Het net gepubliceerde Terug naar het Honderd-Bunders-Bos is een laat vervolg op de Poeh-boeken, dat David Benedictus van de erven-Milne mocht maken. De illustraties zijn van Mark Burgess, ‘geïnspireerd’ door zijn grote voorganger Shepard. Vóór de publicatie was er al veel media-aandacht rondom deze wedergeboorte én de geboorte van een minder droevige Iejoor. Uit alles blijkt dat de makers hun uiterste best hebben gedaan om de tijdsprong inderdaad maar 80 seconden te laten lijken. Het boek begint waar Het huis in het Poeh-hoekje ophield, met de terugkeer van Christopher Robin van de kostschool waar hij nu op zit.

In de vorm kruipen schrijver en illustrator heel dicht tegen de erflaters aan. De prenten van Burgess zouden getekend kunnen zijn door Shepard. Bij het tafereel waarin Poeh en zijn vrienden cricket spelen denk je een klassiek Poe-verhaal te lezen. Het enige nieuwe personage, de otter Lottie, oogt volkomen ‘natuurlijk’ in het Bundersbos. Met haar ijdelheid – ‘Kijk eens wat een prachtige vacht ik heb’ – is zij een aanwinst. Ook de tekst is weer heerlijk Poeh zoals die altijd is geweest, evenals het spel met de hoofdletters zoals in Heel Goed Idee en het verhaspelen van moeilijke woorden als ‘rissolusie’. Of de opschepperij van Uil, die het woord Erfstuk niet kent. De milde grapjes, zoals Konijn die als beroep invult: Belangrijke Dingen. De poëtische zinnetjes als ‘het was zo’n fijn moment van de dag dat je weet dat er veel moet gebeuren.’En de verbazing over ogenschijnlijk gewone dingen als de roze landen in de atlas: ‘Ik bedoel, als je die landen gaat bezoeken, zie je toch geen roze grond?’

De kracht van Terug naar het Honderd-Bunders-Bos ligt in die bijna perfecte nabootsing. Maar dat is ook meteen de zwakte. Want waarom een nieuw boek, als het toch meer van hetzelfde is? Dat laatste is ook weer niet helemaal waar. In de kieren van de traditie frommelt Benedictus wat nieuwigheden. Iejoor is onherkenbaar als hij met een zekere vreugde de rol van schoolhoofd op zich neemt.

Veel ingrijpender is dat Benedictus Konijn in een verhaal de revolutie laat preken. Voortaan moeten er meer wortels worden gegeten en niet zoveel honing – een campagne die meer 2009 is dan 1928. Konijn wil ook een volkstelling en als Poeh vraagt waarom, volgt een prachtige cirkelredenering. Die telling is nodig om belasting te innen. En waarom is dat nodig? ‘„Om de Volkstelling te betalen natuurlijk”, antwoordde Konijn.’ Dergelijke parels maken ‘Konijn organiseert haast alles’ tot het beste verhaal van de bundel. Het maakt duidelijk dat Benedictus in mogelijke vervolguitgaven meer van zichzelf in Poeh moet leggen – de revolutie moet preken in het Honderd-Bunders-Bos.

Karel Berkhout