Een gestoord genie ten voeten uit

Vijftien jaar na zijn dood krijgt de vernieuwende cartoonist Harvey Kurtzman met de publicatie van een tweedelig standaardwerk de eer die hem toekomt. Hij was een voorbeeld voor andere tekenaars.

Denis Kitchen en Paul Buhle: The Art of Harvey Kurtzman. The Mad Genius of Comics. Abrams Comicarts, 241 blz. € 27,–.

Harvey Kurtzman (e.a.): Humbug. Fantagraphics Books, 400 blz. (2 dln in cassette), € 57,–.

Harvey Kurtzman (e.a.): Trump. Dark Horse Comix, 144 blz. € 21,–.

Niet alleen grote kunsten, ook de kleinere hebben hun miskende genieën. In de wereld van cartoons en strips komt de Amerikaan Harvey Kurtzman zonder meer in aanmerking voor die dubieuze eretitel. De New Yorker Kurtzman (1924-1993), ‘het gestoorde genie van de comics’, was de bedenker van het tijdschrift Mad, dat vanaf 1952 met een originele mix van puberale humor en satire verankerd is geraakt in de Amerikaanse psyche. Het maandblad ging in de hoogtijdagen met twee miljoen exemplaren over de toonbank. Maar Kurtzman zelf plukte daar financieel en publicitair nooit de vruchten van. Hij verliet het blad in 1956 na een conflict met uitgever William Gaines en zwoegde jarenlang aan eigen bladen die even snel ter ziele gingen als hij ze bedacht, en die vooral werden bewonderd onder vakgenoten.

Pas met de opkomst van de underground strips in de jaren zeventig kreeg Kurtzman de erkenning als vernieuwer en geniaal cartoonist die hij verdiende. Zelf had hij toen eindelijk weer onderdak gevonden bij Playboy, waar hij met zijn jeugdvriend ‘Willy’ Elder de laatste 24 jaar van zijn carrière werkte aan zijn artistiek gezien meest bewerkelijke, maar ook minst interessante project, de soft-erotische satire Little Annie Fanny.

Wrang genoeg is nu, vijftien jaar na zijn dood, de herwaardering van Kurtzman compleet. Er zijn luxe heruitgaven van de eerste Mads, van Kurtzmans grensverleggende (en nog altijd authentiek ogende) werk voor de oorlogsstrips Two-Fisted Tales en Frontline Combat bij dezelfde uitgever, en van de bladen die hij zelf later opzette maar die nooit een groot publiek bereikten, Humbug (elf afleveringen) en Trump (twee afleveringen). Bovendien is er een fraai koffietafelboek annex standaardwerk over Kurtzmans werk en leven, The Art of Harvey Kurtzman, door Paul Buhle en Denis Kitchen, die ook de nalatenschap van de tekenaar beheert. Het geeft een prachtig overzicht van zijn productie, van de ‘stoppers’ die hij in de jaren veertig maakte voor Stan Lee’s Marvel tot zijn werk voor Playboy en zijn bijdragen in de jaren zeventig aan het Franse L’Echo des savannes.

Kurtzmans grootste verdienste is zijn briljante gevoel voor humor en satire, gevoed door zijn jeugd in de Bronx met vriendjes die net als hij veelal kinderen waren van Joodse immigranten uit Oost-Europa. De moderne massamaatschappij, en dan vooral de wereld van televisie, film en reclame (én strips), werd bij hem en bij zijn medewerkers als Bill Elder een dankbaar onderwerp van spot. Kurtzman legde zo de basis voor een satirische cultuur, en een vorm van zelfrelativerende humor die nog steeds de boventoon voert in de Amerikaanse populaire cultuur. Ook achtereenvolgende generaties Europese tekenaars en scenaristen, van Goscinny tot Gotlib, werden door zijn stijl en zijn gang of idiots beïnvloed en gevormd.

Na zijn vertrek bij Mad leefde Kurtzman zich uit in bladen die het niet lang maakten, voor een deel met dezelfde club vrienden en medewerkers. Trump, betaald door Hugh Hefner, redde het maar twee keer, ondanks de hoogwaardige satire die Kurtzman en de zijnen er in ten beste gaven. Ten einde raad besloten de tekenaars met eigen spaargeld Humbug uit te geven, een satirisch blad dat aanzienlijk volwassener was dan het juveniele Mad, maar dat niet aansloeg bij het publiek en bovendien kampte met distributieproblemen, een fatale handicap in de grootschalige Amerikaanse stripindustrie. Kurtzman ploeterde onverstoorbaar verder, met Help!, een tijdschrift waar latere beroemdheden als de feministe Gloria Steinem en het duo Terry Gilliam en John Cleese (van Monty Python) aan meewerkten.

Daarnaast bleef Kurtzman een meer dan begenadigd tekenaar, met een intuïtieve, krachtige penseelvoering en een Schwung die onmiddellijk herkenbaar zijn. Zijn tekenwerk voor de oorlogsstrips, waarvoor hij ook de doorgaans humane of melancholieke scenario’s schreef, is nog steeds verbluffend. Ook zijn andere werk, van losse cartoons tot de verhalen in zijn Jungle Book en een bewerking van Dickens’ A Christmas Carol (nooit uitgegeven maar opgenomen in het boek van Kitchen en Buhle), zijn een lust voor het oog en het brein. Des te spijtiger dat hij zijn energie in het laatste deel van zijn loopbaan vooral stak in het tamelijk genante Little Annie Fanny, getekend door Bill Elder na langdurig en intensief voorwerk door Kurtzman, die elk detail wilde blijven bepalen.

Dat perfectionisme, zijn moeite om een deadline te halen en het gebrek aan zakelijk talent waren er de oorzaak van dat Kurtzman bij leven buiten vakkringen nooit de grote roem ten deel viel die zijn medewerker Jack Davis of zijn volgelingen Robert Crumb en Art Spiegelman wél oogstten. Met deze reeks betoverend mooie herdrukken is de balans nu in elk geval hersteld.