Een beetje van slag

Ik had geprobeerd het onderwerp zo lang mogelijk te vermijden, maar toen het eenmaal op teletekst stond kon ik er moeilijk omheen.

„Wouter schrijft dat jullie het niet over Mariëtte Hamer moeten hebben”, riep ik naar het enige PvdA-lid in de verre omtrek.

„Hoezo?” vroeg mijn vrouw vanuit de gang.

„Hij vindt dat jullie de verkeerde discussies voeren.”

Luidkeels citeerde ik de tekst van het inmiddels fameuze BosPloumenBlog: „Zij doet een hondsmoeilijke baan in heel zware tijden en verdient daarbij ons aller steun. Die van ons heeft ze. En nu aan het werk allemaal!”

Zou Bos beseffen dat juist door dit domme tekstje opeens half Nederland over Mariëtte Hamer zou heen vallen?

Zelfs degenen die nog nooit van haar gehoord hadden? Ik stelde me voor hoe mijn hoofdredactie na een akelige blunder van mij op de voorpagina zou schrijven: „Lezers, elke dag zo’n stukje, dat valt heus niet mee, doe het zelf maar eens.

„Wees blij met zo iemand en blijf hem lezen! Wij doen dat ook nog steeds. En nu weer lekker verder lezen!”

„Wouter is wel een beetje van slag, geloof ik”, zei mijn vrouw terwijl ze de kamer binnenkwam.

Het leek me eufemistisch uitgedrukt, maar het was winst dat het handelen van de partijleider nu in alle openheid besproken kon worden.

„Jullie zouden hem eens kritische vragen moeten stellen over zijn rampzalige personeelsbeleid”, zei ik. „Zwakke fractieleiders, zwakke ministers, zwakke Kamerleden, zwakke voorzitter, zwak voor René Cuperus. Het lijkt wel of hij geen verstand van mensen heeft.”

„Maar Guusje doet het goed.”

Ik knikte, Guusje was in ieder geval een minister die je om een boodschap kon sturen, en niet alleen aan de haringkar. Maar verder?

„En Eberhard is me ook nog niet tegengevallen.”

Ook dat was waar, ik zat alleen nog te wachten op het moment dat hij nou eens echt zou méévallen. Hij bleef nog een beetje hangen, vond ik, maar Wilders was toch een beetje bang voor hem, en dat was al heel wat.

„Hamer heeft haar langste tijd gehad”, voorspelde ik. „Samsom wil schouder aan schouder met haar verder strijden, nou, dan weet je dat de dolk alleen nog maar geslepen hoeft te worden.”

„Diederik”, zei ze. Er klonk bijna iets verliefds in haar stem. „Aardige jongen.”

Reuze aardig, vond ik ook. En hij wílde zo graag. Bij Pauw & Witteman zat hij laatst bijna demonstratief levendig te kwekken, alsof hij de Hamers in zijn partij wilde beduiden: zo moet het. Als ik een goede ceremoniemeester nodig had voor het huwelijk van mijn jongste dochter, zou ik hem ook zeker vragen. Maar fractieleider ?

Ik hield mijn twijfels voor me en zei: „Cohen is de enige die jullie nog uit de modder kan trekken. En jullie moeten hem vragen voor hij zelf in de modder van de Noord-Zuidlijn wegzakt.”

Ze knikte. „Wouter minister, Cohen partijleider.”

Het klonk als een droom, maar eentje die om een of andere mysterieuze reden nooit zou uitkomen. Want tussen droom en politiek stond zoveel in de weg, te veel om op te noemen.

„Nou, ik ga even boodschappen doen”, zei ze.

„Wil je twee haringen meenemen?” vroeg ik. Het klonk als een pesterijtje, maar zo bedoelde ik het echt niet, want ik hou erg van haringen.