Een aparte prijs voor de liedjeszangers is overbodig

Geen kwaad woord over de keuze van de Poelifinario-jury van dit jaar. Met zijn magnifieke theatersolo Het uur van de prutser heeft de Vlaamse komiek Wim Helsen volop recht op de belangrijkste cabaretprijs die er is. Wees blij met zo’n voortreffelijke winnaar, zou je denken. Maar toch heeft de jury nog iets te klagen. Tijdens de beraadslagingen viel er steeds één categorie „tussen wal en schip”, aldus het juryrapport – en dat waren de liedjesprogramma’s die misschien geen puur cabaret zijn, maar wel als kleinkunst kunnen worden betiteld. De jury noemt maar liefst zeven voorbeelden: Theo Nijland, Thé Lau, Frederique Spigt, Lucretia van der Vloot, Jeroen Zijlstra, Gerard van Maasakkers en Alex Roeka.

Ik weet nog een achtste: Maarten van Roozendaal. Tot eind december is hij op tournee met het programma Noem het maar vrienden, waarin naast zijn vaste begeleiders (bassist Egon Kracht en gitarist Marcel de Groot) ook nog een drummer, een hammondorganist en een extra gitarist actief zijn. Deze vijfmansgroep schept een bedding waarin Van Roozendaals gruizige zang des te beter tot zijn recht komt. En opnieuw excelleert hij in liedjes die niemand anders schrijft. Vaak alsof hij hardop zit na te denken, zoals in een glimlachverwekkend nummer over het herkennen van kinderen op een oude klassefoto („Sandra zal wel kapster zijn geworden / Ruud doet iets met neon en reclameborden”), maar soms ook mooi vormvast en intens triest, zoals in het chanson over de man die zijn vrouw vertelt „dat ik niet bij jou ben weggegaan / dat ik jou allang al had verlaten”.

Waarom zoiets geen cabaret zou mogen heten – noem het lyrisch of poëtisch cabaret – is mij een raadsel. Ik zou niet eens precies het verschil tussen cabaret en kleinkunst weten. Het door puristen gehanteerde onderscheid in gesproken woord en gezongen tekst, lijkt me niet erg wezenlijk. Het zijn, hoe dan ook, zeer geestverwante genres. Sterker nog: vorig jaar ging de Poelifinario naar diezelfde Maarten van Roozendaal. Toen had de jury er kennelijk geen enkel probleem mee hem te verkiezen boven de cabaretiers Herman Finkers, Sara Kroos en Droog Brood die eveneens genomineerd waren.

Maar nu adviseert de Poelifinario-jury aan de Vereniging van schouwburgdirecteuren (VSCD) die de prijsuitreiking organiseert, dat er een aparte prijs voor de liedjeszangers moet komen. De jury heeft er zelfs al een naam voor verzonnen: de Shaffy.

De verwijzing naar de grote Ramses Shaffy is aardig, maar een extra prijs lijkt me overbodig. Zelf werd Shaffy in zijn hoogtijdagen trouwens probleemloos tot het Nederlandse cabaret gerekend. Dat zou ook moeten gelden voor degenen die dezer dagen in zijn traditie staan.

Bovendien bestaat, op initiatief van het Amsterdams Kleinkunstfestival, al sinds 1991 de Annie M.G. Schmidtprijs voor het beste Nederlandse theaterlied van het seizoen. Vier van de acht eerder genoemde liedjeszangers (Nijland, Zijlstra, Roeka en Van Roozendaal) hebben die prijs al eens gewonnen. Jenny Arean zelfs al twee keer. Want ook haar naam mag niet ontbreken als het over liedjes op hoog niveau gaat.