D'r bovenbenen, dat zijn net twee biggen

Opeens zitten alle rokjes te strak en barst Katelijne uit haar meisjestruitjes. Ze zit voortdurend in de stapels van de jongens te rommelen en wil alleen nog hun blauwe veel te grote T-shirts aan.

‘Ze groeit niet alleen in de lengte, maar ook in de breedte’, zegt de vader, die geboeid toekijkt hoe ze een dikke laag roomboter op haar volkorenboterham aan het smeren is.

‘Ze vreet als een delver en ze krijgt een kont waar je op mee kunt rijden’, zegt de moeder zonder op of om te kijken, alsof het iets uit de Bijbel is wat ze uit haar hoofd kent, en dan is opeens het hek van de dam.

‘En een vette speknek!’ zegt Rogier.

‘D’r bovenbenen, dat zijn net twee witte biggen.’

‘Die bovenarmen, daar kan ik geeneens meer rond’, zegt de moeder, die haar hand om Katelijnes bovenarm schroeft en aan iedereen het stukje vel laat zien dat overblijft tussen de nagels van haar duim en wijsvinger.

‘Ze gaat hetzelfde paadje op als d’r oma’, zegt de vader, en hij grijnst dapper, want het is link wat hij heeft gedaan: hij bedoelt de oma van moederskant.

‘Ja, en d’r moeder’, zegt Jeroen, die anders nooit zo gevat is. De jongens kijken elkaar aan. Dat was wel een heel goeie, maar kan er gelachen worden? Maar daar glijdt de rollende lach van de vader al over tafel. De moeder lacht ook, maar haar mond is vertrokken, alsof ze van gekookte rabarber proeft terwijl ze er nog geen suiker heeft bij gedaan.

Katelijne wil een opmerking maken over het valse gebit van de vader, over dat Christiaan nog geen één en één op kan tellen en dat Rogier nog steeds een zeiltje onder zijn hoeslaken heeft, maar er komt geen geluid uit haar keel.

Het veranderen van haar lichaam, dat voor ieders gemak ‘aankomen’ wordt genoemd, blijkt een terugkerend gespreksonderwerp, en het blijft niet bij woorden alleen. Op een avond na het eten komt Rogier met de weegschaal naar beneden, omdat hij nu wel eens wil weten ‘waar we over praten’.

‘Je kan de pot op’, zegt Katelijne agressief, en ze meent het. Ze heeft echter weinig in te brengen, want acht paar gretige handen pakken haar onder haar armen en tillen haar een-twee-hup op de weegschaal. Het probleem is dat iedereen er te dicht op staat, zodat niemand precies kan zien wat de wijzer aangeeft.

‘Vijftig!’ roept er een.

‘Vijfenzestig’, roept een ander.

Katelijne slaat wild om zich heen en schreeuwt zo hard dat het op dorp te horen moet zijn.

‘Alsof je dôôd gedaan wordt’, zegt de moeder verontwaardigd.

De weegschaal gaat onverrichter zake weer naar boven. Echter niet voordat iedereen er demonstratief op is gaan staan: kijk, ik durf er gewoon op, ik geef er niks om. Behalve de moeder, die is met de afwas bezig.