De toekomst van gisteren

Insectachtige aliens, ruimteschepen, robots – de films zijn nieuw, de ingrediënten zijn vertrouwd. „We hermaken in furieus tempo de klassiekers.”

Hij heeft er wel om gevraagd, erkent Duncan Jones met een vage glimlach. Om al die recente krantenkoppen als ‘Ground Control to Major Tom’, ‘The Boy Who Fell to Earth’ of ‘Zowie Stardust’. Duncan Zowie Heywood Jones is de naam in het paspoort van de 38-jarige regisseur. Zijn ouders noemden hem Zowie Bowie. Zijn vader, popster David Bowie, hulde zich toen in futuristische vermommingen als Alladin Sane, Ziggy Stardust en Thin White Duke. Hij had een hit met Space Oddity, over de op drift geraakte astronaut Major Tom – een single die als gimmick werd uitgebracht in juli 1969, toen Apollo 11 op weg was naar de maan. Die titel parodieerde 2001: A Space Odyssee, de sf-film van Stanley Kubrick.

Het is dus niet zo raar dat de pers aan het associëren slaat als de zoon debuteert met een sf-film over een eenzame astronaut op de donkere zijde van de maan – een film die bovendien in zijn eerste shot al schatplichtig is aan 2001: A Space Odyssee. Want Moon, de eerste speelfilm van Duncan Jones, begint met een steriele witte maanbasis en een astronaut die op een loopband trimt om spieratrofie tegen te gaan. „Ik ben een sf-geek”, zegt Duncan. „Dus uiteraard maak ik een sf-film. Die associatie met mijn vader bedacht ik pas toen Moon klaar was.”

Jones – hij lacht als pa, is iets robuuster – kijkt er onschuldig bij, maar helemaal geloofwaardig klinkt dat niet uit de mond van iemand die carrière maakte in de Britse reclame-industrie en daar ten minste één groot schandaalsucces boekte: de ‘Fashion vs Style’-reclame voor het modemerk French Connection uit 2006, waarin twee modellen eerst vechten en daarna tongzoenen. Dat leverde koppen op als ‘Kung-fu lesbian advert sparks viewers protests’. Wat wil je nog meer als hip modemerk. Duncan Jones weet prima hoe hij publiciteit moet scoren.

Vorige maand draaide Moon al bij Film by the Sea in Vlissingen, met Jones in de zaal. Zijn vader bracht hem ooit op het spoor van sciencefiction. Fans kennen David Bowie als seksueel ambivalente glamrocker, hij kent hem als een rustige veellezer. „Pa wilde dat ik ook las, minimaal twee uur per dag, dus voerde hij me vanaf mijn achtste de standaardboeken uit de kinderliteratuur: 1984, Animal Farm, Day of the Triffids, Brave New World. Van daaruit belandde ik bij sciencefiction en deed mijn ontdekkingen: J.G. Ballard, Philip K. Dick, cyberpunk van William Gibson en Bruce Sterling.”

Duncan Jones liep stage bij Jim Henson, vader van de Muppets, toen Bowie een rol speelde in diens film Labyrinth. Na een afgebroken studie filosofie, specialiteit kunstmatige intelligentie, werd hij door regisseur Tony Scott tijdens de opnames van The Hunger enthousiast gemaakt voor film. Jones voltooide de Londense Filmacademie, maakte carrière als cameraman en regisseur van videoclips en commercials.

Moon „moest er uitzien als een verloren juweel uit de jaren zeventig”, zegt Jones. En dat is gelukt. De invloed van sf-klassieker Space Odyssee is zichtbaar, maar Jones’ inspiratiebron is naar eigen zeggen ‘arbeiders-sf’ uit de jaren zeventig, een decennium waarin de computer nog niet in de huiskamer was doorgedrongen en de fantasie zich naar buiten richtte: commerciële ruimtevaart leek na de maanlandingen aanstaande. Jones: „Ik wilde zo’n film waarin de kolonisatie van de ruimte net is begonnen, films als Silent Running, Outland , Alien en in zekere zin ook Tarkovsky’s Solaris. De technologie is geavanceerd, maar ook rauw, smerig en kwetsbaar: niet dat steriele van Star Trek.”

Sam Rockwell speelt Sam Bell, een astronaut die in volledige eenzaamheid een driejarig arbeidscontract uitdient op de donkere kant van de maan. Hij werkt voor Lunar Industries, een ecologische energieconcern dat helium-3 delft, de grondstof voor kernfusie die 70 procent van de aardse energiebehoefte dekt. Sam heeft slechts gezelschap van Gerty, een intrigerend familielid van de moordlustige boordcomputer HAL uit 2001: A Space Oddysee. Uitgerust met de vlakke prozacstem van Kevin Spacey („Een stem met veel bagage en rijke associaties”, zegt Jones) waakt Gerty over Sams welzijn; ‘gevoelens’ uit de robot met emoticons. Jones: „Anders dan HAL, aan wiens rode oog je meteen ziet dat hij een psychopathische computer is, blijft Gerty ambivalent.”

Sam kan door een defect in de communicatie alleen via tapes met vrouw en dochter op aarde praten. Na drie jaar eenzaamheid is hij depressief: hij sloft met hangende schouders door de basis, verwaarloost zichzelf, beeldt zich dingen in. Tot hij na een ongeluk wakker wordt met een jongere dubbelganger naast zijn bed. Zijn zekerheden storten in: misschien is hij een voorgeprogrammeerde kloon met beperkte houdbaarheid. Een mensmachine.

Jones schreef Moon als vehikel voor Sam Rockwell, die hij eerder niet kreeg voor de rol van schurk in een ander scenario: Rockwell wilde de held zijn. Jones schatte hooguit zes miljoen dollar te kunnen lostroggelen voor zijn debuut. „Als maker van commercials wist ik dat twinning, het dupliceren van één acteur in hetzelfde frame, een goedkoop effect is. Ik wilde ook iets doen met het gegeven dat je in verschillende fases in je leven een ander persoon bent. Wat als je jezelf ontmoet, tien jaar geleden?” Tenslotte was Jones verstrikt in een langdurige langeafstandsrelatie en „alle misère die daarbij hoort”. „Je mist elkaar, raakt paranoïde. Is ze alleen, zoals ze zegt? Hoor ik niet iemand kuchen op de achtergrond? Enfin, al die elementen gingen in de mix en Moon kwam eruit, met zijn kloon-motief.”

Bio-ethiek, schijnbaar zo centraal in Moon, is eerder bijgedachte dan uitgangspunt. „Een nuttig verhaalmotief, maar ik denk eerder dat we een toekomstige maanbasis door robots laten runnen. Mensen hoeven hooguit een afstandsbediening in te drukken.” Voor Jones was het wel belangrijk dat de wetenschap in Moon min of meer klopte. Het delven van het radioactieve helium-3 voor kernfusie, zeldzaam op de aarde maar niet op de maan, geldt als een toekomstscenario, evenals het idee van een transportkabel tussen maan en aarde. Jones: „We draaiden Moon bij de NASA in Houston. Iemand wilde weten waarom mijn ruimtebasis op een bunker leek. Hij deed een project over de eerste fase van een maanbasis: lichte materialen leken hem logisch. Ik antwoordde dat je later gaat werken met wat je op de maan vindt. Toen stak een vrouw in het publiek de hand op: zij werkte aan Mooncrete: maanbeton uit maanrots en maanijs. Ze gingen met elkaar in debat, ik kon achterover gaan zitten als bij een tennismatch.”

Moon voelt met zijn complexe, cerebrale script en gehechtheid aan harde wetenschap bijna nostalgisch. Zulke sciencefiction maken ze niet meer. De regisseur wil ook niets weten van moderne sf, „waarin alleen explosies en actiescènes het verhaal stuwen”. Daarmee heeft hij de visueel vaak verbluffende, maar lege sf-pulp van dit jaar aardig samengevat.

Want 2009 is een goed jaar voor sciencefiction. ‘Blockbusters’ als Star Trek, Transformers 2 en Terminator: Salvation scoorden bevredigend tot voortreffelijk aan de kassa. De klapper van komende winter wordt Avatar, een spektakel waarin soldaten via avatars, leenlichamen, strijden met buitenaardse wezens op een mijnplaneet.

Dat gegeven hangt kennelijk in de lucht. Want in Gamer, deze week in première, besturen spelers van afstand ter dood veroordeelden die als gladiatoren op leven en dood moeten vechten. En in de sf-thriller Surrogates, die vanaf volgende week draait, leeft de mensheid onderuitgezakt in loungestoelen: surrogaten, op hun hersengolven aangesloten paspoppen, doen het zware werk en lopen de risico’s. Surrogates toont een vervreemdende wereld van Barbiepoppen, glossy als een tableau vivant van David LaChapelle.

Maar zowel Gamer als Surrogates doet weinig met de veelbelovende uitgangspunten, uitvergrotingen van trends als virtuele realiteit, rollenspellen op internet, plastische chirurgie, robotica en technologie om protheses aan te sluiten op hersengolven. Surrogates is louter oppervlakte, en verder rennen en schieten in een slap plot rond een waanzinnige geleerde.

Logisch, vindt Duncan Jones van Moon. „Iedere studio wil nu sciencefiction, daar zit het geld. Maar dan wel domme sciencefiction graag. Het genre kan niet zonder dure speciale effecten, denken ze, dus spelen ze op veilig en mikken op een breed en jong publiek. Dat levert infantiele films op. Waar is de science in al dat ontploffend metaal?” Jones vindt het zonde. De computerbewerking van beelden is zo gevorderd dat je met antieke methodes, zoals gebruik van modellen – „de maanwagens in Moon trokken we gewoon aan visdraadjes door een maquette” – prachtige effecten bereikt.

Toch lijdt zijn Moon op een hoger niveau aan gelijke gebreken: een obsessie met stijl en herhaling – substantie is een bijgedachte. Sf-auteur Toby Litt noemde Moon onlangs in het tijdschrift New Statesman een typisch product van de cut-and-paste-generatie, die louter sampelt en originaliteit zoekt in de mix, niet in ingrediënten. Kinderen van Quentin Tarantino, die bouwwerken van ‘klassieke’ beeldcitaten scheppen voor kijkers die trots zijn er zoveel mogelijk te herkennen. Voor uit de reclame afkomstige filmmakers als Duncan Jones bestaat weinig onderscheid tussen kunst en reclame: het gaat om herkenbaarheid, virtuoos kopiëren, recyclen en mixen. De stem van Kevin Spacey is belangrijk „omdat hij zoveel bagage heeft”. Niet omdat hij verrast, maar omdat hij iets bekends oproept.

Zelfs een per definitie vooruitkijkend genre als sciencefiction wordt zo pastiche, retro, nostalgie. De toekomst van gisteren. Filmmakers kunnen nu elke pixel manipuleren, schrijft Toby Litt, maar etaleren vooral gebrek aan fantasie. „We hermaken in furieus tempo klassieke sciencefiction, groter, luider, sneller. Alles ‘lijkt een beetje op’. Alles is postproductie.”

Dat geldt zeker ook voor de onverwachte sf-hit District 9, die deze week in première is gegaan. Met een voor Hollywood zeer bescheiden budget van 30 miljoen dollar verdiende deze film wereldwijd al 163 miljoen dollar.

In District 9 arriveren eind jaren tachtig, in de nadagen van de Apartheid, een miljoen insectachtige aliens met een ruimteschip boven Johannesburg. Hoe dreigend dat schip ook boven de stad hangt, de aliens aan boord blijken werkbijen van een bijenkorfmaatschappij zonder leiders, hongerig en verloederd. Ze hebben geavanceerde wapens die alleen zij kunnen bedienen. Maar geen plannen, geen initiatief.

Twintig jaar na dato is weinig veranderd: de ‘shrimps’ (garnalen), zoals de aliens inmiddels heten, vegeteren in een Soweto-achtig township. Hun relatie met de mensheid is gespannen, vooral ook door hun afstotelijke gedrag. Voor ‘garnalen’ is een tweede apartheid ingevoerd: bordjes met de tekst ‘humans only’ zijn de opvolgers van het beruchte ‘Slegs vir blanke’. Nigeriaanse gangsters profiteren van hun honger naar rottend vlees en kattenvoer.

District 9 is het debuut van het dertigjarige Zuid-Afrikaanse talent Neill Blomkamp, ook afkomstig uit de reclame. De invloeden van District 9 zijn helder. De film lijkt een hommage aan de gespierde sciencefiction van de jaren tachtig, bloedige actiespektakels gemengd met sociale satire – het soort films waarmee Paul Verhoeven groot werd in Hollywood. Het getto voor aliens kennen we uit tv-serie Alien Nation. Hoofdrolspeler Wikus van de Merwe muteert in scènes vol ‘body horror’, bekend uit David Cronenbergs The Fly. Het ruimteschip boven Johannesburg komt uit Independence Day. Enzovoorts.

Maar in stijl en sfeer herinnert District 9 aan Verhoevens Amerikaanse doorbraak Robocop uit 1987, waarin een gewetenloze multinational de politie privatiseert en uit lichaams- en robotdelen een Frankensteinagent assembleert. Die film was een bron van inspiratie voor Blomkamp: hij maakte ooit een filmpje waarin een robotagent orde houdt in de zwarte krochten van Johannesburg. En zoals Verhoeven zijn toekomstvisie kleur gaf met futuristische reclamespotjes en tv-shows, zo begint District 9 als een ‘mockumentary’ van archiefbeelden, amateuropnamen en straatinterviews.

Een allegorie over de Apartheid en racisme is District 9 niet: daarvoor gaat de nepdocumentaire te snel over in actiefilm. Het is het decor, zegt Blomkamp zelf. Zijn sf-pulp speelt zich nu eens niet af in New York en Los Angeles, maar in Johannesburg. Geforceerde deportatie van townships, geheime medische experimenten op zwarten, Nigeriaanse kannibalen – je zag het niet eerder in sf verwerkt. De exotische context maakt District 9 opmerkelijk.

Maar het is dit jaar wachten op een filmmaker met de ambitie een nieuwe toekomst te tonen. Duncan Jones heeft een volgende project op stapel: Mute, een sf-film in toekomstig Berlijn, de stad waar zijn vader eind jaren zeventig de albums Low, Station to Station en Lodger opnam. „Ik ben dol op Berlijn”, zegt hij. „Zo’n opwindende stad, zoveel beweging, constructie, immigratie en mysterie.” Over het script wil hij weinig kwijt. Alleen dit: „Het lijkt op Blade Runner.”