De moord op een godenzoon

De antiheld in het verbluffend speelse ‘Vissen redden’ verwordt van een vrouw met liefdesverdriet tot iemand die de goddelijke missie heeft de evolutie in goede banen te leiden.

Annelies Verbeke Foto Leo van Velzen Gent, 12/03/04. Annelies Verbeke, schrijfster. Foto Leo van Velzen/Nrc.Hb. Velzen, Leo van

Annelies Verbeke: Vissen redden. De Geus, 185 blz. € 18,90

Liefde is een survival of the fittest. Deze wrange conclusie trekt Monique Champagne, de antiheld van Annelies Verbekes derde roman Vissen redden, als haar vriend er met een ander vandoor gaat. De wetten van de evolutie zijn meedogenloos. De geliefde die vertrekt is de overwinnaar, de verlatene blijft nutteloos achter. Maar Monique besluit het er niet bij te laten zitten. Ze verbindt conclusies aan de gedachte dat natuurlijke selectie het leven op aarde bestiert, en denkt daarmee tegelijkertijd haar eigen leven nieuwe zin te geven. ‘Het leven ontstond in zee. De zeeën werden leeg. Zij zou de vissen redden.’

Deze even kordate als geforceerde beslissing vormt het startpunt van de tragikomische verwikkelingen in Vissen redden. Monique Champagne krijgt de kans om bevlogen voordrachten over overbevissing te houden op congressen voor maritiem biologen, een rondtrekkend circus van wetenschappers die lezingen houden met titels als ‘Effecten van blootstelling aan sub-lethale concentraties van ammonia en hypoxia op het zwemgedrag van bruine forel’. Monique is gevraagd om te midden van deze dorre beschouwingen voor de broodnodige emotionele betrokkenheid te zorgen. En dat lijkt aanvankelijk te lukken, al was het maar wegens haar ontsteltenis over de grote stapels gerookte zalm en heilbot die tijdens de congreslunches door de biologen worden verorberd.

Maar het wordt al snel duidelijk dat Monique geen aansluiting weet te vinden binnen het nieuwe leven waaraan ze zich heeft overgegeven. Totdat ze op een goede dag door een congresganger voor iemand anders wordt aangezien, een oude vriendin, en een vriendschap ontstaat op basis van een misverstand. Monique raakt steeds verder verstrikt in haar web van leugens, en tegelijkertijd bereikt haar vissenliefde godsdienstwaanzinnige hoogten. Baseerde ze haar ecologische engagement aanvankelijk op haar overtuiging dat de mens uit de vis ontstaan was, als ze bij een bejaard Grieks echtpaar ontdekt dat ‘Ichthus’ als benaming voor Jezus wordt gebruikt, voelt ze een schok over zich heenkomen: ‘Als ze zichzelf ertoe bracht God als de natuur te zien, dan lag het voor de hand het hedendaagse plunderen van visbestanden als een moderne moord op een godenzoon te interpreteren.’

Wanneer haar nieuwe vriendin haar uitnodigt om met Greenpeace op zee actie te gaan voeren kan ze haar geluk niet op. Maar het kon natuurlijk niet uitblijven: Moniques leugens komen uit en haar droomleven valt in duigen. Haar ideaal om de vissen te redden blijkt in de kern maar op één ding gebaseerd te zijn geweest: haar onvermogen om de harde waarheid onder ogen te zien.

Op het eerste gezicht doet het onderwerp van Vissen redden onmiddellijk denken aan Charlotte Mutsaers’ Koetsier herfst: in die roman is een van de hoofdpersonen lid van het ‘Lobster Liberation Front’. Maar anders dan bij Mutsaers blijft bij Verbeke niets van het ecologisch idealisme van de hoofdpersoon over. Dierenactivisme is niets meer dan een wanhopige overlevingsstrategie, zo lijkt hier de boodschap. Toch is Vissen redden geen satire op biofanatici of een aanklacht tegen radicaal idealistisch denken. Verbekes roman is vooral een liefdesverhaal, een liefdesverhaal van duizelingwekkende proporties.

Te midden van alle visperikelen slaagt Verbeke erin om een geschiedenis van hartstochtelijke zinsbegoocheling te vertellen, die gaandeweg begint te resoneren in de geschiedenis van de evolutie zelf. Na de desillusie van haar verbroken relatie beseft Monique dat zij voortdurend van alles in haar leven een kloppend verhaal probeert te maken. Helaas weerhoudt dat zelfinzicht haar er niet van om dezelfde fout te maken. Voor ze het weet is haar liefdesverdriet omgeslagen in een missie om de evolutie in goede banen te leiden en die krijgt vervolgens in mum van tijd het karakter van een goddelijke opdracht. De hardnekkige neiging om de werkelijkheid mooier te maken dan die is, speelt zowel in Moniques relatie als in haar onvermogen om met de kille waarheid van de evolutie om te gaan. Een onvermogen overigens dat niet bepaald alleen aan Monique Champagne is voorbehouden. Zo ongeveer de hele menselijke cultuurgeschiedenis hangt samen van verhalen die de toevallige werkelijkheid kloppend en betekenisvol moeten maken.

Op verbluffend speelse en luchtige wijze krijgt het simpele verhaal van een ongelukkige liefde zo immense dimensies. Niet om een of andere bombastische boodschap op te dringen, wel om een poëtisch gevoel van ruimtelijkheid op te wekken, waardoor bijvoorbeeld de vrijpartij tussen Monique en een Russische schipper met een branchiale cyste – een niet dichtgegroeide vierde kieuwspleet – een bizarre lading krijgt.

Vissen redden is een roman waarin op een gegeven moment alles mogelijk lijkt te zijn, waarin het liefdesverdriet van één persoon volstrekt vanzelfsprekend samenvalt met de halsstarrige weigering van de mensheid om de evolutie zijn beloop te laten, om de vispopulatie uit te laten sterven, of te accepteren dat ‘mensen louter toevallig tegen elkaar op botsen, tegen elkaar aan leunen, tot iemand een stap opzijzet en de ander valt. Dat gaat zo, Monique weet dat, maar ze wil niet weg’.

Hoe meer Verbeke in Vissen redden de remmen losgooit, hoe meer de kwetsbaarheid van haar hoofdpersoon in het oog springt. Zelfs het op het eerste gezicht teleurstellende einde blijkt meer te bieden dan je dacht: ook de mens die niet tegen de evolutie is opgewassen, overleeft. Ondanks zichzelf.