De aftocht blazen in het heetst van de strijd

Nederland is deze week een maatje kleiner geworden. Zo zit je in Pittsburgh nog bij de G20 aan tafel, zo laat je je kennen als een onberekenbare bondgenoot. De wereld zal er gauw genoeg aan wennen. Maar wij zitten met de brokken.

Terwijl de oorlog in Afghanistan zich in een kritieke fase bevindt, heeft de Tweede Kamer de buitenwereld dinsdag laten weten dat het wat ons betreft mooi is geweest. Over iets meer dan een jaar moeten alle Nederlandse militairen weg zijn uit Uruzgan. Want: afspraak is afspraak.

Afgesproken was het inderdaad, toen de regering eind 2007 besloot dat Nederland nog twee jaar extra een leidende rol zou blijven spelen in Uruzgan. Twee jaar, niet langer. „Vanaf 1 augustus 2010 zal de terugtrekking van de Task Force Uruzgan zo spoedig mogelijk geschieden”, schreef het kabinet in een brief aan de Kamer, „zodat deze per 1 december 2010 is afgerond.”

Het leek heldere taal – maar alleen op het eerste gezicht. De formulering was zorgvuldig gekozen. De huidige missie, waarin Nederland zo’n zware taak op zich had genomen, zou na 2010 niet verlengd worden. Maar de mogelijkheid van een andere, kleinere missie in Uruzgan werd ondertussen welbewust opengelaten. Alleen liep het kabinet daar, om de verdeeldheid in de coalitie te bezweren, niet mee te koop. Dat heeft zich nu gewroken.

Achter de schermen was Nederland de afgelopen tijd al serieus in gesprek met de Amerikanen over de mogelijkheid van zo’n kleinere vervolgmissie – eind september nog tijdens het bezoek aan Nederland van generaal Petraeus, de man die verantwoordelijk is voor alle Amerikaanse militaire activiteiten in het Midden-Oosten en Afghanistan. Een kleine vervolgmissie zou de eigen civiele projecten kunnen beschermen, en voorkomen dat de moeizaam opgebouwde kennis en contacten verloren gaan.

Geen wonder dat minister Verhagen het nodig vond het Nederlandse volk langzamerhand voorzichtig voor te bereiden op wat er zat aan te komen. Tegenover een journalist van BNR wierp hij daarom de vraag op of Nederland, als het volgend jaar uit Uruzgan vertrekt, „wel alles op anderen kan afschuiven”.

Die vraag moest inderdaad hoognodig gesteld worden. Maar de Kamer had geen behoefte aan vragen, en ook niet aan discussie. Onder aanvoering van Verhagens coalitiegenoten PvdA en ChristenUnie werd de deur meteen in het slot gegooid, met de motie die dinsdag werd aangenomen met steun van alle partijen behalve CDA, D66 en SGP. Alle militairen moeten weg uit Uruzgan, was de boodschap, en volgens de uitleg van de PvdA betekent dat ook: uit heel Afghanistan. Want, zei Kamerlid Martijn van Dam: „Je trekt je niet terug uit Uruzgan om elders in Afghanistan soortgelijk werk te doen.”

Eindelijk helderheid, zou je zeggen. Maar het is helderheid met oogkleppen. Nederland maakt deel uit van een militair en politiek bondgenootschap, de NAVO, dat zijn reputatie heeft verbonden aan de oorlog in Afghanistan. Het is waarschijnlijk onverstandig geweest deze onderneming tot „een testrit voor de nieuwe NAVO” te bestempelen, maar het is gebeurd. En daarmee staat er meer op het spel dan alleen de vraag hoe we Afghanistan straks achterlaten.

Obama is zich daarvan bewust, zoals wel blijkt uit de grondige bezinning op de vastgelopen oorlog die in het Witte Huis aan de gang is. Het Nederlandse parlement heeft andere zorgen.

Stevent de NAVO met de eerste grondoorlog in haar geschiedenis af op een pijnlijke mislukking? Hebben we meer troepen nodig of een compleet nieuwe strategie? Moet het Westen de terugkeer van de Talibaan maar accepteren, zolang Al-Qaeda buiten de deur wordt gehouden? En speelt Nederland door uit Uruzgan te vertrekken de Talibaan in de kaart, zoals NAVO-chef Rasmussen woensdag, dus net een dag te laat, ernstig waarschuwde?

Sorry, is de boodschap van Den Haag aan de bondgenoten, allemaal dringende vragen maar wij zijn ervantussen. Want afspraak is afspraak. Veel succes verder in Afghanistan, zie maar of jullie doorgaan of niet, wij beginnen vast met inpakken.

En zo kan Nederland straks de eerste van de 28 bondgenoten zijn die de aftocht blaast. In het heetst van de strijd de oorlog uit gerommeld. Terwijl onze bondgenoten, die ook kampen met groeiend verzet in de publieke opinie, wél volhouden (Canada mogelijk daargelaten, dat van plan is in 2011 te vertrekken).

Er zijn genoeg redenen om te twijfelen aan de zin van deze oorlog, ook al vindt die plaats met een (gisteren opnieuw verlengd) mandaat van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Je hoeft het onlangs uitgelekte rapport van generaal Stanley McChrystal er maar op na te slaan.

De generaal velt een genadeloos oordeel over de aanpak van de oorlog in de afgelopen acht jaar. De toestand verslechtert en zonder extra troepen dreigt een complete mislukking. Door de verkiezingsfraude, corruptie en de algehele straffeloosheid heeft de Afghaanse bevolking haar vertrouwen in de regering, onze bondgenoot, verloren. De Talibaan voeren met bermbommen en aanslagen niet alleen een effectieve guerrilla, maar zijn zeker zo succesvol in wat McChrystal „de stille oorlog” noemt – die tegelijk gevoerd wordt met intimidatie en met het bieden van een alternatief lokaal bestuur inclusief ombudsmannen en schaduwgouverneurs.

Ondertussen is het doel van de oorlog nog altijd onduidelijk en blijven er militairen sneuvelen en burgerslachtoffers vallen. Kortom: wie tot de conclusie komt dat het Westen zo snel mogelijk naar een uitweg moet zoeken, heeft serieuze argumenten.

Maar ook al is het twee jaar geleden afgesproken, alleen een land dat maling heeft aan zijn reputatie en zijn belangen op de wat langere termijn vertrekt helemaal op eigen houtje, zonder serieus debat in eigen land, zonder overleg binnen de NAVO en juist op het volgens de Amerikanen beslissende moment.

Juurd Eijsvoogel is redacteur van NRC Handelsblad

Reageren kan via nrc.nl/eijsvoogel