'We kijken nu zonder inspiratie naar EU'

Een Europeaan van de eerste lichting kijkt terug: ‘We behandelen Europa als luxeprobleem in plaats van als noodzaak.’

Voor de fervente watersporter die hij ooit was, is de metafoor snel gevonden. „Je moet roeien met de riemen die je hebt. Wel, nu worden de riemen langer en de roeiers krachtiger. Daardoor kan het sneller gaan, maar het bootje blijft hetzelfde.”

Het bootje is de Europese Unie en de woorden zijn van Edmund Wellenstein, beminnelijk representant van de allereerste lichting Europese (top)ambtenaren, de generatie van de rampspoed en de bittere ervaringen.

De vraag was wat we mogen verwachten van het nieuwe Europese verdrag. De Ieren hebben daar net mee ingestemd en daardoor is de invoering ervan een stuk dichterbij gekomen. De Europese Unie moet er slagvaardiger en democratischer van worden. „Belangrijk, maar we moeten ook weer niet overdrijven”, zegt Wellenstein. Dat het verdrag nodig is om van Europa „een supermacht, geen superstaat” te maken, zoals de Britse premier Tony Blair destijds zei, noemt hij „veel te pretentieus”.

‘Nederland in een veranderende wereld’ heet het symposium dat het Nederlands instituut voor internationale betrekkingen ‘Clingendael’ vandaag hield ter gelegenheid van Wellensteins negentigste verjaardag. Hij was na zijn pensionering nauw betrokken bij de oprichting van deze denktank (in 1983), eloquent deelnemer aan talloze gremia en fora, en vaste klant in vakbladen en op opiniepagina’s. Hij is er wel „de beste minister van Buitenlandse Zaken die Nederland nooit heeft gehad” om genoemd.

Wellenstein stond, begin jaren vijftig, in Luxemburg aan de wieg van wat zou uitgroeien tot een Europese Unie van nu 27 lidstaten. Zijn eerste klus: afspraken voorbereiden over een eerlijke markt voor schroot. „Als wij al gelovigen waren”, zei hij daar eens over, „dan toch gelovige ambachtslieden, bezig met een nuchter handwerk.”

Met het toekomstbeeld van een volgroeide federatie, waar andere pioniers van de naoorlogse Europese integratie wel wat in zagen, had Wellenstein weinig op. „Wel federalistische elementen – Commissie, Parlement, Hof –, maar een federatie? Nee, ik vond dat je daar geen energie aan moest verspillen. De politieke macht ligt in de gezamenlijkheid van de regeringen, niet in een constructie die je daar bovenop zet.”

Stap voor stap, werkende weg – dat had zijn voorkeur, en zo is het eigenlijk ook gegaan. Als besprekingen vastliepen, placht hij dwarsliggers mee te nemen naar zijn botter in Zierikzee voor een heilzame zeiltocht. „Samen wat dóen is een probaat smeermiddel.” Er waren hoofdsteden die hun onderhandelaar verboden nog met hem te zeilen. Too close.

Een Europeaan van het eerste uur als Wellenstein stemt het verminderde engagement van Nederland voor Europa somber. „Iedereen is hier maar bezig met die Wilders en stelt zich de bange vraag: ‘Hoe moet ik in godsnaam op die man reageren?’ Ik zou zeggen: ‘Vergeet hem!’ We hebben warempel wel andere zorgen. Vele daarvan delen we met de Verenigde Staten, zoals het conflict in het Midden-Oosten. De Amerikaanse president ontmoet veel tegenstand. Laat in de Kamer eens iemand, al is het er maar één, aan Verhagen vragen: ‘Allez minister, nou hebben we eens een president die goed bezig is, wat doet u voor Obama?’ Dat zou al een verademing zijn. Sorry hoor, maar dat is mijn queeste.”

Waar is het misgegaan tussen Nederland en Europa?

„Het is me gaan opvallen bij het eerste kabinet-Balkenende: nooit spreken ze meer over Europese integratie, alleen nog over samenwerking. Zelfs Frans Timmermans mag dat woord kennelijk niet meer gebruiken. Waarom zo ongeïnspireerd en mat?”

Hoe zou dat komen?

„In elk geval ook door de toonzetting. Zo defensief. Jammer dat ze hun talent niet beter gebruiken.”

Zelf noemen zij het „realistisch”.

„Dat is het niet, het is kortzichtig. Ze zitten erbij alsof ze er niets aan kunnen doen, maar jongens, verdorie, we zijn toch iemand! Het Europese volkslied, de Europese vlag, dat mag dan opeens niet meer. Dan denk ik, goh, jongens, hoe klein zijn jullie harten.”

Bij de uitreiking van de Von der Gablentzprijs aan u bracht minister Donner deze ontwikkeling in verband met de Nederlandse obsessie met geld.

„Wacht, hij sprak op persoonlijke titel. Maar hij had het grootste gelijk. Helemaal mee eens. Zalm [minister van Financiën van 1994 tot 2002 en van 2003 tot 2007, red.] heeft een nefaste invloed gehad op de meningsvorming over Europa. Hij had een goed punt: Nederland betaalde verhoudingsgewijs veel te veel aan Europa. Maar hij bracht het alsof we werden bestolen! De politiek dacht: goed van die Zalm, laat hem dat met die centen maar regelen. Maar geleidelijk aan kreeg het publiek het idee dat we daar in Europa met iets heel schadelijks bezig waren.”

U bent daar verbitterd over?

„Nee, het is veeleer trieste teleurstelling. Bitterheid voel ik bij de teloorgang van ABN Amro. Wat is die bank vreselijk verknold. Wat een grootspraak en zelfingenomenheid! Bij onze Europese politiek is het meer teleurstelling. Als een stel verwende jongens zijn wij Europa gaan behandelen als een luxeprobleem, in plaats van als noodzaak. We leven ervan, elke dag, elk jaar. Waar zouden we zonder Europa zijn? Maar we gedragen ons er niet meer naar.”

Dat is toch niet alleen een Nederlands probleem?

„Helaas niet. Heel extreem is natuurlijk Italië. Wie had ooit gedacht dat dat speelse land zo in het ongerede zou raken, met een premier die zó in opspraak is en met zó’n gebrek aan financiële discipline. Nauwelijks te bevatten.”

Vaak wordt gezegd dat het met de uitbreiding te hard is gegaan.

„Te hard om het bij te houden? Ja, voor onze politieke klasse. Maar te hard voor de geschiedenis? Nee, het was toch onmogelijk die landen na het wegvallen van de Sovjet-overheersing eindeloos aan de lijn te houden. Wat we hadden kúnnen, en ook móeten uitstellen, was de toetreding van Bulgarije en Roemenië. Die waren in 2007 echt nog niet klaar. Maar toen hebben we niet de moed gehad en gezegd: ‘Nu nog even niet’.”

Geen enkele regering zei dat.

„Het ‘tableau de la troupe’ van Europese regeringsleiders is op dit moment ook weinig inspirerend en hoopgevend.”

Wat mist u?

„Persoonlijkheden. Als je politicus bent dan hoor je voorop te lopen, dan moet je net iets verder durven reiken dan je draagvlak toestaat, dan zeg je: ‘Dat draagvlak heb ik’, en ga je niet afwachten tot iemand anders zegt hoe groot het is.”

Premier Balkenende wordt genoemd als eerste vaste voorzitter van de Europese Raad.

„De wonderen zijn de wereld nog niet uit. Maar dat zal dan een enorme dosis bezieling vergen.”