Niets is ondenkbaar

Achteraf gezien was het een enigszins boude bewering die ik hier op 2 september deed, toen ik schreef dat zonder de Tweede Wereldoorlog, die op die dag zeventig jaar geleden uitbrak, „het ontstaan van Israël ondenkbaar was”. Ik heb er dan ook nogal wat over te horen gekregen.

Ik ga voorbij aan opmerkingen als „men zou haast denken dat hij vindt dat de staat Israël er helemaal niet had moeten zijn, maar dan had hij dat beter gewoon kunnen zeggen”. Waarom heb ik dat niet gezegd? Omdat ik helemaal niet vindt dat de staat Israël er helemaal niet had moeten zijn.

Behulpzamer was de reactie van een lezeres die mij wees op het boek van de Israëliër Tom Segev waarvan zij de Duitse titel gaf: Es war einmal ein Palästina, „dat een iets ander licht op het ontstaan van de staat Israël werpt”.

Ik naar de Koninklijke Bibliotheek, mijn vertrouwde adres. Maar dit boek hadden ze niet, ook niet in een andere vertaling. Dan maar een ander boek van Segev geleend dat over hetzelfde onderwerp leek te gaan: The seventh million: the Israelis and the Holocaust (1993; Hebreeuwse uitgave: 1991).

En inderdaad, hierin vond ik het een en ander dat weliswaar mijn stelling niet bevestigde, maar wel enigszins mijn richting uitging, in zoverre als erin staat wat ik bedoeld had, ja eigenlijk had moeten schrijven.

Al in het eerste hoofdstuk schrijft Segev dat de Holocaust niet alleen „een postume identiteit gaf aan zijn zes miljoen slachtoffers, hij vormde ook de collectieve identiteit van dit nieuwe land – niet slechts voor de overlevenden die na de oorlog kwamen, maar voor alle Israëli’s – toen en nu”.

Welnu, de Holocaust (welk woord gebruikten wij toch voor de moord op zes miljoen joden, voordat de gelijknamige serie in 1979 op de televisie verscheen?) is voor velen het belangrijkste merkteken van de Tweede Wereldoorlog, en zonder Holocaust zouden er niet al in 1949 350.000 overlevenden in Israël wonen – één op de drie Israëli’s.

In de epiloog van zijn boek komt Segev terug op het thema: „Er is een aantal rechtvaardigingen, zowel politieke als culturele, voor (Israëls) tegenwoordige gevoel van betrokkenheid met de Holocaust. Israël verschilt van andere landen door zijn behoefte zijn recht van bestaan te rechtvaardigen – tegenover de rest van de wereld en tegenover zichzelf. De meeste landen hebben zo’n ideologische rechtvaardiging niet nodig. Israël wel. (...) Als een rechtvaardiging voor de staat Israël is de Holocaust alleen vergelijkbaar met de goddelijke belofte in de bijbel.”

En de niet-gelovige Israëli’s dan? „De ‘erfenis van de Holocaust’ is voor seculiere Israëli’s het middel om uitdrukking te geven aan hun band met de joodse erfenis. (...) Naarmate het bewustzijn van de Holocaust groeide en, samen met de godsdienst en de zionistische ideologie, een cruciale bron werd waaruit de Israëli’s de elementen van hun identiteit putten, speelde de Holocaust een steeds centralere rol in het voortdurende debat over welke fundamentele waarden de Israëlische samenleving zouden moeten leiden.”

Uit de aangehaalde passages zou opgemaakt kunnen worden dat de betrokkenheid met de Holocaust vroeger minder was (het „tegenwoordige gevoel van betrokkenheid met de Holocaust”, „naarmate het bewustzijn van de Holocaust groeide”). Inderdaad blijkt uit het boek dat de overlevenden in de beginjaren niet altijd met open armen werden verwelkomd. Segev spreekt zelfs van een „vijandige atmosfeer”.

De eerste joden die zich in Palestina kwamen vestigen – al lang vóór de Tweede Wereldoorlog – „zagen zichzelf als een nationale avant-garde, de kern voor de schepping van een ‘nieuwe mens’ in een nieuwe Hebreeuwse samenleving. Voor hen betekende zionisme verwerping van de diaspora, die zij haatten. Deze houding leidde na de oorlog tot arrogantie en verachting jegens de slachtoffers en de overlevenden van de Holocaust.” Zelfs Ben-Goerion, founding father van Israël, was daar niet vrij van.

Het moet een heel moeilijke periode zijn geweest voor de joden die zich na de oorlog in Israël kwamen vestigen. Behalve met de ontberingen van een pioniersbestaan op het land, waarvoor de meesten hunner niet in de wieg waren gelegd, hadden zij te maken met een samenleving die zichzelf een min of meer heroïsche statuur toedacht, die zij niet terugvond in de arme overlevenden van de Holocaust. Dezen begonnen zich, aldus Segev, pas deel van die samenleving te voelen toen, na 1949 er joden uit andere streken – Noord-Afrika, Irak, Ethiopië – kwamen. Toen waren zij het die oldtimers werden.

Ik moet bekennen dat Segevs boek, wat dat betreft, mij de ogen heeft geopend voor die moeilijke beginjaren van de staat Israël. Maar op zichzelf hebben die niet te maken met de vraag, die de aanleiding voor dit artikel was, namelijk of het ontstaan van de staat Israël ondenkbaar is zonder de Tweede Wereldoorlog, waarvan de Holocaust het merkteken was.

In concreto komt dit neer op de vraag of de joodse staat de verschillende oorlogen die hij na 1948 met de Arabieren heeft gevoerd, zou hebben gewonnen zonder de bijdrage die de overlevenden van de Holocaust, dus van de Tweede Wereldoorlog, en hun nakomelingen aan die overwinning hebben geleverd.

Het is, anders dan ik op 3 september beweerde, wel degelijk denkbaar dat ook zonder Tweede Wereldoorlog, en ook zonder Holocaust, er in 1948 een joodse staat zou zijn ontstaan. Per slot van rekening waren alle founding fathers van die staat mensen die uit Palestina geboortig waren of daar al jaren woonden. Maar of die staat, eenmaal ontstaan, zonder de inbreng van de immigranten van na 1945 – en, niet te vergeten, zonder Amerikaanse hulp – de herhaalde Arabische pogingen die staat te vernietigen zou hebben overleefd, is een andere vraag.

Wilt u reageren? U kunt de auteur mailen via dezerdagen@nrc.nl. Of laat een reactie achter op nrc.nl/heldring