Niet alle ouders zijn incompetent, hoor

Ouders krijgen steeds vaker te horen dat zij niet in staat zijn hun kind op te voeden.

Het gezin is niet meer een gegeven, maar een risico.

Wat ouders nodig hebben en wat goed is voor hun kinderen, wordt vooral door anderen bepaald. Ouders krijgen van alle kanten te horen hoe ze moeten opvoeden, en waar kinderen aan moeten voldoen als ze worden afgeleverd aan de samenleving. En voor ouders die niet deugen, staan er professionals klaar om het over te nemen. Het liefst komen die zelfs achter de voordeur.

Het gezin is niet meer een gegeven, maar een risico. Opvoedingsondersteuning is verworden tot een ‘preventieve interventie’ ter voorkoming van kindermishandeling. Hordes getrainde ‘interventieverpleegkundigen’ leggen huisbezoeken af bij risicogezinnen. Achter elke voordeur woont een potentiële Savanna.

Normaal kindergedrag wordt tegenwoordig op allerlei manieren geproblematiseerd. Gewoon jongetjesgedrag wordt abnormaal druk gevonden door jonge juffen met grote schoolklassen. En gewone hangjongeren vinden we ook al niet meer normaal. We hebben last van kinderen in openbare ruimtes; ze maken lawaai en leveren ons zo het bewijs dat hun ouders niet meer kunnen opvoeden.

Je ziet het toch ook bij de opvoed-tv, de realityprogramma’s over gezinnen met problemen: een hulpverlener komt in huis, aanschouwt de bende en tegen het einde van het programma is alles ineens in kannen kruiken. Ouders kunnen het toch niet meer zelf, is de boodschap. Ook het succes van de website Ouders Online wordt steevast gezien als bewijs van de toenemende onzekerheid van ouders. Niet alleen door professionals in de opvoeding, maar ook door journalisten en politici. Net als buren, schoonouders en docenten denken zij te zien dat ouders incompetent en onzeker zijn.

Het beeld van de onzekere, hulpbehoevende ouder vloeit vooral voort uit een behoefte van professionals in hulpverleningsland zelf: zij willen ouders hoe dan ook voorzien van hulp, ook al hebben die ouders zelf hun eigen hulpvraag nog niet ontdekt. Het beeld van de incompetente, onzekere en hulpbehoevende ouder past ook in de maatschappelijke trend om te morrelen aan individuele vrijheden in ruil voor meer veiligheid: we willen toch minder kindermishandeling en minder criminaliteit? Nou dan, waarom wachten we nog met ingrijpen?

De druk op de jeugdhulpverlening is nu echter zo groot geworden dat ze ten onder gaat aan het eigen succes. „Eenvoudige vragen horen niet in een zwaar zorgcircuit”, zei minister Rouvoet (Jeugd en Gezin, ChristenUnie) vorige week. Hoe waar! Sterker nog: alle vragen die horen bij het gewone leven en die voortkomen uit de dagelijkse sores van gezinnen met kinderen horen helemaal niet thuis in een zorgcircuit.

Ik prijs de minister voor zijn poging het uitdijen van de jeugdhulpindustrie te stoppen door te onderzoeken of het niet beter is als ouders zelf meer regie krijgen. Het is dezelfde verandering in het denken die plaatsgevonden heeft bij ontwikkelingssamenwerking. Het begint bij het besef dat het geïnvesteerde geld niet meer terecht komt bij degenen voor wie het bedoeld is. Plus het besef dat de hulpverleningsindustrie een bolwerk is geworden met weinig samenwerking en veel concurrentie, dat er baat bij heeft zichzelf in stand te houden.

Minister Rouvoet zal het niet gemakkelijk krijgen, maar hij moet wel doorzetten.

Steeds minder zijn we gaan vertrouwen op ouders en kinderen zelf, met het gevolg dat we de eigen kracht van ouders hebben ondermijnd. Kinderen die eenmaal in het zorgcircuit belanden, lopen tegenwoordig meer dan ooit risico op langdurige uithuisplaatsing, waarbij ze niet zelden terechtkomen op plekken die meer kwaad doen dan goed. Dat zorgcircuit is voor veel ouders een vreselijke ervaring; ze raken de regie volledig kwijt.

Zodra ouders zelf of onderling dingen willen regelen, botsen ze tegen het systeem op, tegen instanties als Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming, die ouders die ruimte helemaal niet willen geven. In uitzonderlijke gevallen lukt het ouders de regie terug te krijgen na een gang naar de rechter die ineens een alternatief kan bedenken, maar het kind heeft dan al kostbare tijd verloren.

Laat opvoedingsondersteuning ook echt zijn wat het woord zegt: steun bij iets wat ze zelf doen. Beter nog: het faciliteren van iets wat ouders zelf heel goed kunnen, maar waar ze soms tijdelijk en soms meer structureel hulp bij kunnen gebruiken. Alle normale gezinnen krijgen te maken met zaken als ziekte, dood, echtscheiding. Of met werkloosheid, zeker in deze tijden.

Zorg dat ouders straks bij het Centrum voor Jeugd en Gezin terecht kunnen op een spreekuur met een psycholoog of pedagoog, zonder dat er eerst door anderen een probleem gedefinieerd is en zonder dat ze als ‘risicogezin’ worden aangemerkt.

Nu werkt dat niet zo, want zonder erkend probleem krijg je geen hulp. Vind je het gek dat ouders op zoek gaan naar een diagnose van het kind om zorg te legitimeren: zonder diagnose ís er namelijk geen zorg. Geen hulp op school (‘ja hoor eens, we hebben naast die van u nog wel 28 andere bijzondere kindjes in de groep!’), geen ondersteuning in het gezin.

Er is in ons land geen goede structuur voor ondersteuning van gezinnen met normale levensproblemen of normale opvoedproblemen waarbij de eigen kracht van ouders wordt ingezet.

Kortom: onze bijzondere kinderen hebben recht op normale aandacht, waarbij niet alles wat maar een beetje afwijkt, wordt gecriminaliseerd of gemedicaliseerd. Gezinnen moeten aanspraak kunnen maken op specialistische hulp als ze die nodig hebben, maar als het kan, moeten ze gewoon met rust gelaten worden. Durf te luisteren naar wat ouders zelf willen en faciliteer dat. Gééf ouders dus die plek waar ze een normale opvoedvraag kunnen stellen aan een medemens, naar keuze een professional of een andere ouder, zonder dat dat meteen wordt opgevat als een hulpvraag.

Dr. Justine Pardoen is hoofdredacteur van Ouders Online.