Na het verzet met een Kever naar Europa

Edmund Peter Wellenstein werd in september 1919 geboren in Scheveningen, toen zijn ouders voor verlof over waren uit Jakarta. Daar werkte zijn vader, eerst bij de spoorwegen en daarna bij het koloniale bestuur. Na diens overlijden in 1934 keerde zijn vrouw met hun twee kinderen terug naar Nederland.

Na het gymnasium ging ‘Mom’, zoals hij vrijwel vanaf zijn geboorte werd genoemd, natuurkunde studeren in Delft. „Wij dachten: wij zijn een landje met allemaal ruziënde landen om ons heen, maar we houden ons toch maar mooi staande; we beheren in ons eentje een enorme kolonie, en dat doen we heel behoorlijk; we hebben onze eigen niche; we vallen niemand lastig; we hinderen niemand; we zijn niet heerszuchtig, niet oorlogszuchtig; we redden ons daar wel doorheen. Eigen meester, niemands knecht. Dat was ons zelfbeeld.”

In luttele jaren lag dat „volledig in gruzelementen”. Eerst de economische crisis, toen de Duitse inval. „Een mokerslag was het”.

Als vanzelfsprekend belandde hij in het studentenverzet. Eind 1941 werd hij opgepakt op verdenking van betrokkenheid bij het verzetsblaadje De Oprechte Delftenaar. Hij werd vastgezet in Scheveningen en Amersfoort. Daar raakte hij bevriend met Max Kohnstamm, de latere rechterhand van Jean Monnet, een van de aartsvaders van de naoorlogse Europese integratie. Dankzij een cruciale connectie en „heel veel geluk” kwam hij in september 1942 vrij, waarna hij zich weer aansloot bij het verzet (schuilnaam ‘André). De contacten die hij daaraan overhield, zouden zijn loopbaan bepalen.

„André, wil je bij mij komen werken”, vroeg Marianne Tellegen (schuilnaam ‘Doctor Max’), directeur van het kabinet van koningin Wilhelmina.

„Goh, doctor Max, wat moet ik bij u doen?”

„Dat zul je wel merken.”

Hij maakte overzichten voor het staatshoofd, eerst over het verloop van de ‘Indische kwestie’ en later ook over de Marshallhulp en de Amerikaanse inspanningen om de West-Europese landen tot samenwerking aan te sporen.

In 1950 haalde Kohnstamm, het kersverse hoofd van het Bureau Duitsland, hem naar Buitenlandse Zaken. „Toen vond een mirakel plaats. Ik trad op 1 mei in dienst en wat gebeurde er op 9 mei? De Europarede van Schuman [Frans minister, geïnspireerd door Monnet, red.]. Wij kregen die rede de volgende ochtend op ons bureau. „‘Wát? Dat is fantastisch’, zeiden wij tegen elkaar.”

Hoezo?

„Visionair, dé oplossing voor een existentieel probleem van zowel Duitsland als zijn buurlanden. Het zou de kolen- en staalproductie van het Duitse Ruhrgebied, die essentieel was voor de West-Europese wederopbouw en op dat moment nog volledig onder geallieerde controle stond, onder gemeenschappelijk beheer van West-Europese landen brengen. Bovendien zou een eind komen aan het Amerikaanse beleid voor Europa van: ‘Jongens, wees nu braaf, doe dit en doe dat’. In plaats daarvan: een eigen Europees initiatief.”

Het mondde uit in de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, in Luxemburg. Wellenstein trok er, andermaal in het kielzog van Kohnstamm, kort na de start naar toe. „Met een Volkswagen Kever eens in de vier weken naar huis. In zes uur, van deur tot deur.” Het begin van een Europese carrière.