Mijn geloof vervolmaken

Driss Tafersiti kwam als jonge Marokkaanse gastarbeider naar Nederland. Hij bleef. Wekelijks feuilleton over zijn belevenissen.

‘Dit is dus je slaapkamer”, zei Jolanda. We hadden mijn neef Mustapha en Kemal de Turk aan de eettafel in de huiskamer achtergelaten om de privacy van mijn kamer op te zoeken. Ik had haar belangrijke dingen te vertellen. Terwijl Jolanda om zich heen keek, haalde ik de cassetterecorder onder mijn bed vandaan en zocht in een schoenendoos naar de juiste cassettebrief.

„Wat is dit voor een bord?” vroeg Jolanda. Ze wees naar de leesplank die met een touwtje aan de muur hing en waarop met Oost-Indische inkt een Arabische tekst was geschreven.

„Dat is Ayat Al-Kurshi”, zei ik. „Het is een vers uit de Koran. Dat lees ik elke avond voor het slapen gaan. Zo blijven de duivel en de kwade geesten uit mijn kamer.”

„Kun je het voorlezen?” vroeg ze.

Ik legde mijn rechterhand op mijn rechteroor. Dat zag ik Lhaj Dinar, de imam uit mijn geboortedorp, ook altijd doen als hij opriep tot het gebed. Ik sloot mijn ogen en met veel hoge en lage klanken in mijn stem zei ik het vers op. Aan het eind van het vers zei ik „Sadaq Allah-oel-aladiem” („God spreekt de waarheid”) en streek met mijn handen over mijn gezicht alsof ik mijn zondes van mij afspoelde.

„Prachtig”, zei Jolanda. „Het lijkt wel een muziekstuk. Kun je nog iets zingen?”

„Een andere keer”, zei ik. „Ik heb iets dat je nog veel mooier in de oren zal klinken.” Voordat ik play drukte, hoorde ik gerommel bij de deur. Ik sloop er op mijn tenen naartoe.

„Sommige geesten zijn erg koppig”, fluisterde ik naar Jolanda. Ik rukte de deur open. De luistervinken Mustapha en Kemal vielen de kamer binnen. „Wegwezen!” riep ik. „Wegwezen, stelletje smeerlappen!” Piepend als geslagen honden maakten ze zich uit de voeten.

Ik glimlachte alsof er niets gebeurd was en zei: „Waar waren we gebleven?”

„Je zou mij iets moois laten horen”, zei Jolanda.

„O ja”, zei ik. Ik zette de cassetterecorder aan en ging bij Jolanda op het bed zitten. „Mag ik je voorstellen aan mijn dorp?” Het bandje liep en te horen waren onze schapen en mijn familieleden die door elkaar heen spraken. „Ontmoet mijn vader, Amarouche Tafersiti.”

Jolanda schoot in de lach van de opgewonden toon waarmee mijn vader de anderen tot stilte maande.

„Dit is Helalia Tafersiti, mijn moeder.” Weer kreeg ik het zwaar toen ik haar stem hoorde. Met moeite hield ik mijn tranen in bedwang.

Jolanda was helemaal in haar sas bij het horen van de vreemde klanken. „Wat klinken ze lief allemaal. Maar waar ging het over?”

Ik stond op en pakte Jolanda’s handen. „Ik heb goed nieuws, Jolanda”, zei ik. „Mijn ouders willen jouw ouders worden.”

Jolanda begreep het niet.

„Ik mag mijn geloof met jou vervolmaken.”

„Je wat met wat?” vroeg Jolanda.

„Ik mag met je trouwen, Jolanda. Ik heb toestemming gekregen van mijn ouders. Vind je dat niet geweldig?”

Jolanda stond op en nam mijn gezicht in haar handen. „Driss, ik ben dol op je, en ik vind het leuk dat jouw ouders mijn ouders willen worden, maar zoals ik je al eerder zei, een huwelijk zit er voorlopig niet in. Ik ben nog te jong om te trouwen.”

Ik had dit antwoord wel verwacht, maar hoopte dat mijn ouders Jolanda toch nog konden overtuigen.

„We hebben tijd zat, Driss”, zei Jolanda. „Kom eerst een keer bij ons thuis, dan zie je mijn ouders eens.”

„Je ouders zomaar ontmoeten, zonder om je hand te vragen?” vroeg ik verbaasd.

„Ja, je wilt mijn ouders toch niet voor het eerst ontmoeten bij het verlovingsaanzoek?”

Ik was er stil van: een vrijblijvende ontmoeting met de mensen die misschien mijn schoonouders zouden worden – hoeveel verrassingen had dit land nog in petto voor mij?

„Kun je woensdagavond?” vroeg Jolanda.