Met Brecht de geschiedenis herschrijven

Weg met de beeldende kunst die slechts ironisch commentaar wil zijn. Vier Kroatische curatoren laten in Istanbul zien hoe politiek beeldende kunst kan, of moet, zijn.

Heel Istanbul hangt vol posters met een regel van de Duitse toneelschrijver Bertolt Brecht: ‘Insan Neyle Yasar?’, oftewel ‘Denn wovon lebt der Mensch?’, uit de Dreigroschenoper (1928). De Biënnale van Istanbul, waarvoor de affiches met de tekst van wellicht de beroemdste met het communisme verbonden kunstenaar zijn opgehangen, biedt het antwoord: de mens leeft van strijd, verzet en politiek. De referentie aan Brecht is een programma: de terugkeer van de politiek geëngageerde beeldende kunst.

Westerse kunstenaars hebben de afgelopen decennia vaak hun neus opgehaald voor begrippen als engagement, agit prop, of tendens – constateren de curatoren van de Biënnale, het Kroatische collectief What, how and for whom. In de wereldpolitiek leek het na de val van de Muur in 1989 lang alsof er geen ruimte meer was voor iets anders dan liberaal-democratische waarden en de kapitalistische markteconomie. En de kunst, in het Westen tenminste, speelde het spel vaak mee of beperkte zich hoogstens tot ironische commentaren, zoals Damien Hirst met zijn doodshoofd met diamanten.

Voorbij, wat WHW betreft: de liberale democratie zegeviert helemaal niet overal ter wereld, de wereldeconomie heeft zijn grootste crisis sinds 1929 meegemaakt en links en rechts wordt in de wereld gestreden. Meer dan negentig geëxposeerde kunstenaars – voornamelijk uit Turkije, Oost-Europa en het Midden-Oosten – zijn dat met hen eens: het is strijd, aanklacht, analyse wat op deze Biënnale de klok slaat. En vergeet het begrip ‘mooi’. Was de vorige Biënnale van Istanbul nog gehuisvest in de vele dromerige paleizen die Turkije’s meest Europese stad kent – deze keer zijn de ruimten een verlaten opslagloods in de haven, een oude tabaksopslagplaats en een verlaten schoolgebouw. Overal ligt de vloer bezaaid met proppen rood papier, die rapporten van mensenrechtenorganisaties over Turkije blijken te zijn. Toch blijft de Turkse politiek grotendeels onbesproken op deze omvangrijke Biënnale. Hoewel het gebruik van Brecht anders doet vermoeden, neemt het engagement maar zelden de vorm aan van nostalgie naar politiek van weleer, of stijlcitaten. Wel van historisch revisionisme.

Het Russische collectief Sjto djelat (genoemd naar Lenins brochure Wat te doen) schrijft op een muur de geschiedenis van de nadagen van de Sovjet-Unie (1982-1991) en stelt de vraag of de afloop niet anders had kunnen zijn: de Sovjet-Unie niet uiteengevallen, maar omgevormd tot federatieve republiek; de economie niet ‘geprivatiseerd’, maar arbeiderszelfbestuur. Zelfs het wenkend perspectief van een wereld die enthousiast het voorbeeld van de Sovjet-perestroika had kunnen volgen, ontbreekt niet. Sjto djelat toont ook een vermakelijke video waarop in de vorm van een oratorium – in de stijl van Brechts Lehrstücke – wordt aangetoond dat de ‘democratische revolutie’ in de USSR is verraden.

Aan geschiedschrijving doet ook het Berlijnse collectief Museum of American Art (MoAA). Het reconstrueert een tentoonstelling, ‘Contemporary art in the USA today’, die, hevig gesponsord door de CIA, in de jaren vijftig door Europa toerde. De tentoongestelde werken, van Jackson Pollock en Willem de Kooning bijvoorbeeld, zijn in zwart-wit nageschilderd. Foto’s van lokale elites op het openingsfeest, swingmuziek en correspondentie tussen Amerikaanse ambassades en lokale autoriteiten completeren het sfeerbeeld. Je zou heimwee kunnen krijgen naar een tijd waarin regeringen het puikje van de kunst in hun land inzetten om de volkeren te overtuigen van de superioriteit van hún systeem boven dat aan de andere kant van het IJzeren Gordijn.

Verbluffend is een chronologisch overzicht van de Libanese burgeroorlog (1975-1990) aan de hand van posters van de verschillende gewapende groeperingen, een project van de Libanese Zeina Maasri. Door de zowel kinderlijke als hoogst pretentieuze vormgeving van die posters zou je haast gaan denken dat die burgeroorlog een cartoonoorlog is geweest. Historiserend is ook de enige Nederlandse inzending, een video van Wendelien van Oldenborgh over de politionele acties in Indonesië.

Al dit historiseren roept wel de vraag op waar de snijdende behandeling van hedendaagse thema’s blijft. Ten aanzien van contemporaine problemen blijkt het moeilijker leven met de Brechtiaanse pretentie dat kunst kan onderhouden én tegelijk inzicht verschaffen.

De Amerikaan Trevor Paglen heeft de Amerikaanse, Russische en Chinese spionagesatellieten gefotografeerd die bij nacht boven Istanbul hangen, en over de technische capaciteiten van deze apparaten zoveel mogelijk informatie vergaard. In Celestial objects blijkt de nachtelijke hemel een elektronisch slagveld.

Er zijn talrijke foto’s en video’s over allerlei vormen van strijd en schrijnende armoede. Maar het blijft moeilijk om met contemporaine thema’s echt indruk te maken. Grote uitzondering is hier een bloedstollende video van de Israëlische Ruti Sela en Maayan Amir. Voor Beyond guilt hebben zij per internet een reeks afspraken in een hotelkamer gemaakt met net uit het Israëlische leger afgezwaaide soldaten, en praten met hen over seks of doen seksuele spelletjes met ze. Het resultaat is een deerniswekkend catalogus van perversiteiten en geknakte zielen – trauma’s als bijproduct van het regime in de bezette gebieden.

In hun inleiding op de Biënnale schrijven de curatoren dat Biënnales veelal holle, toeristische aangelegenheden zijn. Zij hebben daarmee willen breken, en zijn daarin geslaagd. Saai, blasé of gratuit wordt deze Biënnale nergens en hij straalt enthousiasme en soms verbetenheid uit. Politiek en engagement zijn terug – en deze revolutie komt uit het oosten.

De Biënnale van Istanbul is geopend tot 8 november, elke dag van 10 tot 19 uur, behalve maandag. Info: www.iksv.org/bienal