Lotsy, de feilbare

Vorige week bracht het nieuwe sportblad Helden (van Frits en Barbara Barend) een nooit eerder gepubliceerde brief uit november 1940 van de omstreden sportbestuurder Karel Lotsy. Lotsy was dat jaar, met toestemming van de Duitse bezetter, sportadviseur voor het Departement van Onderwijs geworden.

In deze brief aan de hockeybond formuleerde Lotsy een aantal eisen. Eén ervan luidde: „Verder mogen, voorloopig alleen in de Hoofdbesturen, geen Israëlieten zitting hebben.”

Voor oud-sportjournalist Matty Verkamman, die de brief in een artikel over Lotsy opnam, is daarmee het zoveelste bewijs geleverd dat Lotsy ernstig fout was in de oorlog.

Over deze kwestie laaien op gezette tijden de emoties hoog op. Lotsy werd na de oorlog gezuiverd, maar Frits Barend en Henk van Dorp zetten daar als eersten in 1979 grote vraagtekens bij in Vrij Nederland. Zij werden later bijgevallen door Verkamman en historicus André Swijtink, die in zijn proefschrift In de pas Lotsy’s reputatie aan gruzelementen schreef.

Dit jaar kwam er opeens een kentering, toen Frank van Kolfschooten het in zijn biografie De Dordtse magiër voor Lotsy opnam. Hij viel al de hiervoor genoemde auteurs gedetailleerd aan. Vanaf dat moment kunnen we, ook enigszins voor het gemak, spreken van het kamp-Verkamman en het kamp-Van Kolfschooten.

Ik had me nooit eerder in de zaak verdiept, maar die brief van Lotsy maakte me nieuwsgierig. Wie had er nou gelijk? Ik begon systematisch alles te lezen wat er over deze kwestie geschreven is. Daarbij onderging mijn gemoed bedenkelijke schommelingen. Het ene moment dacht ik: „Lotsy, jij schurk!” Het andere moment had ik begrip voor hem. Ik vergeleek de argumenten pro en contra en probeerde de auteurs op inconsistenties te betrappen.

Na een poosje besefte ik vooral hoe moeilijk het is na zoveel jaren over zo’n kwestie te oordelen. De grote stelligheid waarmee dat in beide kampen gebeurt, kan ik dan ook niet delen. Als bestuurder lijkt Lotsy me minder onschuldig dan Van Kolfschooten suggereert, maar de bewijzen daarvoor zijn zwakker dan Verkamman pretenteert. Wel doemt er uit de mist van de geschiedenis geleidelijk een intrigerende gestalte op: Karel Lotsy, feilbaar mens. Misschien had hij, zoals Van Kolfschooten stelt, het beste voor met de Nederlandse sport en wilde hij die beschermen tegen NSB-invloeden. Maar mijn indruk is dat Lotsy vooral het beste voor had met zichzelf. Hij wilde in de eerste plaats blijven gloriëren als sportbestuurder, ook als hij zich daarvoor vergaand moest aanpassen aan het nieuwe bewind. Daarom kon hij die miserabele brief aan de hockeybond en andere bonden schrijven. Daarom verdedigde hij zich per brief zo stuitend kruiperig toen de bezetter hem even als een verdachte figuur beschouwde. En daarom vormde hij in 1941 samen met een NSB’er en een SS’er een prominent sportcollege. De hele oorlog door heeft Lotsy, op moeilijk controleerbare wijze, allerlei zaken met de Duitsers geregeld. Dat maakt hem nog niet tot een echte collaborateur. Hij was een vaderlandslievend man, geen nationaal-socialist en vermoedelijk ook geen overtuigd antisemiet. Hij was eerder een aartsopportunist. Hij gebruikte de Duitsers en hij liet zich door hen gebruiken.

Verdient hij eerherstel? Dat zou een beloning zijn van eerloos gedrag.