Kibbelen over het glazen plafond

De mythe van het glazen plafond Auteur: Marike StellingaUitgever: Balans, 2009, 224 pagina's, 15 euro.

De timing was goed: De mythe van het glazen plafond van Elsevier-journalist Marike Stellinga verscheen vlak voor het ‘Quota-Manifest’ dat eind september stof deed opwaaien in de media. Dat manifest (ondertekend door 215 vrouwen uit politiek en bedrijfsleven) pleit voor een wettelijke regeling waardoor uiterlijk over vijf jaar vrouwen 40 procent van de commissariaten en toezichtsfuncties vervullen. Het percentage vrouwen op topposities komt in Nederland al jaren niet boven de 6 procent uit en alleen verplichte quota kunnen die impasse doorbreken, aldus het manifest.

Bingo, moet Stellinga hebben gedacht. Geen betere publiciteit dan een tegendraads geluid: haar boek is immers een hartstochtelijk pleidooi tégen verplichte quota voor vrouwen aan de top. In de discussie over het manifest die losbarstte in kranten, op radio en televisie kon ze dan ook ruimschoots haar mening verkondigen. Die luidt, kort gezegd, dat vrouwen niet moeten zeuren. Het feit dat ze de top van het bedrijfsleven niet bereiken, heeft niets met een glazen plafond te maken, maar alles met de inborst van de Nederlandse vrouw. Die wil helemaal niet fulltime bikkelen aan de top. Die wil gewoon een leuk baantje voor hooguit drie dagen. De Nederlandse vrouw, Stellinga kan het in haar boek niet vaak genoeg zeggen, heeft nu eenmaal geen ambitie. De verschillende onderzoeken van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) die Stellinga aanhaalt als bewijs voor haar stelling, draaien er niet omheen: Nederlandse vrouwen zijn over het algemeen dolblij met hun kleine deeltijdbaan en ze hoeven niet zo nodig meer te werken.

Een verplicht quotum is dan ook onzin, vindt Stellinga. Niet alleen omdat het discriminerend is, maar ook omdat het niet haalbaar is. „Een quotum van 30 procent topvrouwen slaat in Nederland als een tang op een varken. Dat is meer dan het aantal vrouwen dat voltijds werkt: 25 procent.”

Los nog van de vraag hoeveel ‘topfuncties’ er eigenlijk zijn (en of er dus inderdaad niet genoeg beschikbare vrouwen zijn), gaat Stellinga hier voorbij aan het succes van de verplichte quota in Noorwegen waar slechts een op de vier vrouwen een deeltijdbaan heeft en het quotum van 40 procent in drie jaar tijd werd bereikt.

Ja, Stellinga is er geweest, en nee, ze vindt het maar niks. Ze vindt het Noorse model „eng”.

Het is een hardnekkig gegeven als het gaat om de talloze meningen en boeken over werkende moeders en het gebrek aan topvrouwen: je bent voor het een en tegen het ander. Een middenweg lijkt niet te bestaan. Pas op het eind van haar boek komt de nuance in beeld: „Geef het tijd”, schrijft ze. Er verandert wel degelijk iets: pas in de jaren negentig van de vorige eeuw gingen vrouwen massaal aan het werk en nu al zijn de veranderingen „gigantisch”. Al gaan ze „minder snel dan gedacht”.

Wat is erop tegen om de veranderingen iets sneller te laten gaan? Om vrouwen, al dan niet met de door haar verafschuwde quota, een duwtje in de goede richting te geven?

Een voorbeeld: een paar jaar geleden stak collegevoorzitter Roelof de Wijkerslooth van de Radboud Universiteit in Nijmegen zijn nek uit door er persoonlijk op toe te zien dat er meer vrouwelijke hoogleraren komen in Nijmegen. De Radboud Universiteit, jarenlang hekkensluiter als het ging om het aantal vrouwelijke professoren, staat dit jaar bovenaan de Monitor Vrouwelijke Hoogleraren, met 16,7 procent vrouwen aan de top. Is dat discriminatie van mannen? Zijn die vrouwelijke hoogleraren minder goed? Dacht het niet.